1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 89
CHARLES ROBERT DARWIN
71
In navolging hiervan ontstond ook in de biologie een kentering. De gedachte van het voortdurend ontstaan van nieuw leven uit de levenloze materie, eeuwen lang gehuldigd, de gedachte dus van een generatio spontanea, verloor veld, de verhalen van monsters en zeermeerminnen bleken op fantasie te berusten, het aantal planten- en diervormen bleek beperkt te zijn, en de organismen konden niet in elkander overgaan. Zo kreeg het denken der biologen een geheel andere gerichtheid. Men ging de mogelijkheid van een ordening der organismen onder ogen zien. De wonderlijk volgepropte rariteiten-kabinetten, waar walviskaken naast olifantstanden, kreeften naast kalebassen hingen, vroegen als het ware om systematische bewerking. En als primair resultaat van de veranderde instelling verkreeg dan ook de bio-systematiek haar eerste grootmeesters, culminerend in de Zweedse onderzoeker Carolus Linnaeus (1707—1778), die in 1735 in Nederland zijn beroemde „Systema Naturae" schreef, waarin vrijwel alle toen bekende organismen een plaats werd toegewezen. Linnaeus' werk kreeg te meer invloed daar hij zich tevens duidelijk uitliet over zijn opvatting betreffende het ontstaan der organismen. Hij meende n.l. dat er momenteel evenveel soorten leefden als God in den beginne had geschapen. Hoewel hij naderhand als resultaat van voortgezette onderzoekingen zijn oorspronkelijke gedachte enigszins wijzigde '^^), bleef toch zijn grondthema de absolute constantie. Daar Linnaeus de grondlegger van de bio-systematiek werd, kreeg deze constantie-gedachte spoedig een basale betekenis, ook voor de theoretische beschouwingen in andere takken van de biologie en wel met name in de anatomie (de z.g. idealistische morphologic). Zo ontstond op grond van de constantie-gedachte een zeker even homogene biologie als later op grond van de evolutie-gedachte werd gebouwd. Aanvankelijk kende men slechts de recente flora en fauna en was het dus vrij gemakkelijk om vast te houden aan de constantie-gedachte. Anders werd het toen grote aantallen fossielen van planten en dieren, welke in sterke mate verschilden van de huidige organismen, gevonden werden. Beschouwde men hen vooreerst als spelingen der natuur of als overblijfselen van modellen door God gemaakt voor Hij de levende wezens schiep, weldra moesten deze meningen wijken voor de opvatting, dat het versteende resten waren van reeds lang gestorven schepselen. En daarmee was het probleem geboren hoe de recente constante flora en fauna te rijmen viel met vroegere organismen die zo vaak aanmerkelijk in bouw van hen verschilden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's