1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 88
70/
J. LEVER
Reeds spoedig na zijn terugkeer in Engeland, n.l. in Juli 1837 lo), legde hij een speciaal cahier aan voor notities betreffende het ontstaan der soorten. Dit brengt ons direct tot de kern van Darwin's levenswerk. Om dit te begrijpen en tevens om de betekenis hiervan voor de ontwikkeling van de biologie te kunnen schetsen, is het noodzakelijk allereerst de algemene denkwereld van de biologen uit die tijd te bezien. De biologie werd toentertijd in sterke mate beheerst door de constantie-gedachte, de mening dus dat de levende organismen vrijwel niet variƫren en dat de soorten onveranderlijk zijn. Dat was in de Westerse wetenschap wel eens anders geweest. Zo waren in de Middeleeuwen vele geleerden er van overtuigd, dat er in de natuur een grote mate van variabiliteit bestaat en dat de organismen dus in het geheel niet constant zijn. Deze opvatting werd nog algemener gehuldigd toen de koopvaarders uit nieuwe werelddelen de wonderlijkste exotische planten en dieren meevoerden en toen de hiermee gevulde rariteitenkabinetten suggereerden, dat de vormenrijkdom oneindig groot was en de planten en dieren ongelimiteerd van kenmerken konden wisselen. Dit was de tijd van de monsters en de zeemeerminnen, de tijd waarin men meende dat eenden en ganzen uit de nog tegenwoordig zo geheten eendenmossels onstonden, dat schorpioenen uit haneneieren kwamen, en dat in 1553 een vrouw het leven had geschonken aan een kikker met een slangenstaart n ) . In de 17e eeuw kwam hierop een reactie, en wel onder de invloed van de physica en de chemie. Deze wetenschappen ontdekten n.l. dat de materie aan vaste wetmatigheden was gebonden. Dat men lood of andere onedele metalen niet op mysterieuze wijze in zilver of goud kon veranderen, dat ijs niet kon overgaan in kwarts. De Steen der Wijzen van de alchemisten verloor geleidelijk aan belangstelling. In plaats daarvan kwam in de wetenschap, meer dan te voren, de nadruk te liggen op de waarneming, de nauwkeurige beschrijving de verificatie, op het experiment. Zo begonnen de onderzoekers de vaste overtuiging te krijgen, dat de natuur geen wazige chaos was, maar dat zij uit een beperkt aantal elementen was opgebouwd en dat de relaties tussen deze elementen niet variabel, maar constant waren. Dat de elementen scherp te omschrijven eigenschappen bezaten en volgens vaste wetmatigheden reageerden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's