Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 55

2 minuten leestijd

DE ONTWIKKELING VAN EINSTEIN'S EPISTEMOLOGIE door R. L. KRANS

De aanleiding om mij met dit onderwerp bezig te houden was een boek, dat mij gepakt heeft. Het was „Albert Einstein: PhilosopherScientist", dat in 1949 in de serie „Living Philosophers" is uitgekomen. Als ik zonder nadere bronvermelding citeer, is het uit dit boek. In dit boek schrijven verscheidene physici en philosophen over de betekenis van E i n s t e i n s werk voor de ontwikkeling van het natuurkundig denken, zowel naar de zuiver vakwetenschappelijke als naar de epistemologische kant (epistemologie = leer van de kenniswetenschap). De qualiteit van de schrijvers (o.a. B o h r , B o r n , B r i d g m a n , G ö d e l , M e n g e r , M i l n e , P a u l i) waarborgt voldoende dat het boek niet eenzijdig een ophemelarij geworden is. De eerste honderd bladzijden zijn door E. zelf geschreven; dit deel is bedoeld als een autobiographic — E. noemt het zelf, spottend, zijn necrologie. In deze autobiolögie staat heel weinig over zijn levensloop, alleen iets over zijn jeugdjaren. De hoofdinhoud vormt de historie van E i n s t e i n s wetenschappelijke denkarbeid en zijn eigen, tegenwoordige, visie op zijn denkwijze. Aan het slot van het boek geeft E. nog een beoordeling van de verschillende artikelen in het boek; hierin stelt hij eventuele verschilpunten met de auteurs helder in het licht. Het probleem, dat mij bezig hield w a s : Welke betekenis hebben E i n s t e i n s wetenschapsopvattingen gehad voor zijn natuurkunkundige werkzaamheid? Hebben deze opvattingen bewust als richtsnoer gediend bij de opstelling van zijn theorieën, of zijn zij pas later als de ondergrond van zijn vakwetenschappelijke denkarbeid erkend? Ik zal vooruit het antwoord geven : Beide gevallen hebben zich voorgedaan. Voor de opstelling van de speciale relativiteitstheorie geldt het eerste. Bij de ontwikkeling van de algemene relativiteitstheorie echter is de drang naar generalisatie de drijfveer. Achteraf is de wetenschapsopvatting geformuleerd, die bij deze algemene relativiteitstheorie past. En bij zijn later physisch werk, dat geen grote

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's

1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 55

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's