1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 257
HET PROBLEEM VAN DE BEVOLKINGSGROEI
227
in dit verband de volle nadruk wordt gelegd, want het opereren met sterftecijfers heeft al heel wat misverstand gewekt. Zo vindt men in de dagbladen meermalen een bericht, dat het sterftecijfer in de gemeente X lager is dan in andere soortgelijke gemeenten, waaruit dan onmiddellijk wordt geconcludeerd, dat de sanitaire omstandigheden aldaar uitzonderlijk gunstig mogen worden genoemd. Het is echter duidelijk, dat de gevolgtrekking volstrekt misplaatst is, zolang de factor van de leeftijdsopbouw geen verantwoording heeft gevonden. Het sterftecijfer voor de gehele Nederlandse bevolking bedroeg in 1952 slechts 7,3 o/oo. en daarmede kwam ons land op een buitengewoon laag niveau te staan. Nu is de situatie in ons land ongetwijfeld zeer goed, doch hiertoe mag op grond van de genoemde mortaliteitsindex onder geen beding worden besloten. Het sterftecijfer in Frankrijk is bijna het dubbele van het onze, doch niemand mene, dat de toestand aldaar zoveel slechter is dan hier te lande. Men moet echter bedenken, dat de Nederlandse bevolking nog betrekkelijk jeugdig is, terwijl in Frankrijk de veroudering reeds ver is voortgeschreden. Wenst men dus dieper tot het wezen van de sterfteverhoudingen door te dringen, dan moet men voor elke leeftijd afzonderlijk de situatie bezien. Hiertoe geraakt men door de bestudering van de zogenaamde sterftepercentages, die het Centraal Bureau voor de Statistiek van jaar tot jaar kan berekenen, omdat aan de geperfectioneerde Burgerlijke Stand een nauwkeurige opgave van de volgens leeftijden gesplitste overlijdensgevallen kan worden ontleend. Een sterftepercentage voor een zekere leeftijd geeft nu aan, hoeveel personen van een groep van 100 individuen, die allen de bedoelde leeftijd hebben bereikt, in de loop van een kalenderjaar overlijden. In ons land beschikken wij voor elke leeftijd reeds over meer dan honderd sterftepercentages, want met de jaarlijkse berekening is men al in het jaar 1840 begonnen. Daarbij bleek de noodzaak om de becijfering voor mannen en vrouwen afzonderlijk te doen geschieden, aangezien de sterftesituatie essentiƫle verschillen ten gunste van de vrouwen aanwijst. Een vaststaand feit van hoge betekenis is nu, dat op alle leeftijden, zowel voor mannen als voor vrouwen, een voortdurende daling van de sterftepercentages valt te constateren; voor de jonge en middelbare leeftijden heeft deze teruggang zich zelfs in een verrassend tempo voltrokken. Een beeld van de situatie biedt de volgende beknopte tabel, waarin de sterftepercentages der mannen van O-, 20-, 40-, 60- en 80-jarige leeftijd zijn vermeld. De breuken zijn een gevolg
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's