Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 235

4 minuten leestijd

BOEKBESPREKING

201

in mijn naïeve ervaring toespreekt Het ls wel duidelijk, waarom Spier tijd en verandering met op het nauwste verbindt Dat is, omdat hij van het kosmische karakter van de tijd uitgaat En de arithmetische successie zowel als de ruimtelijke gelijktijdigheid die door dat kosmische karakter noodzakelijk zijn, kennen geen verandering Maar heeft de opvolging van getallen, overeenkomstig een meer en mmder, wel een tijdskarakter' En ontstaat de idee van de gelijktijdigheid als een ruimtelijke figuur niet doordat men eerst de tijd aan de ruimtelijkhe d toevoegt, hem er dan weer aftrekt m de mening, dat de gelijktijdigheid daarbij overblijft' Popma, die de lezer m Philosophia Reformata (1 kw 1954) moeizaam hier belangwekkend, daar onnavolgbaar, over de omweg van de waarnemer en het logische wil aantonen, dat de gelijktijdigheid een ruimtelijke figuur is, laat mij ook al met de indruk achter, dat ik met meer kan denken en dat ik van Einstein mets begrepen heb Als nu in de eerste twee wetskringen de tijd eens met zou optreden (tenzij dan in anteciperende zm), zou dan het optreden van de tijd m alle volgende wetskringen (behalve de 3e) met als een analogie van de verandering als zmkern van de derde wetskring opgevat kunnen worden' Mijn onzekerheid op dit punt betreft alweer de kwestie, dat ik niet begrijp, wat men nog meer in de tijd ziet en daar maar steeds voor mij verstopt houdt Een grond voor de opvatting van de kosmische tijd versta ik Deze LS, dat m de theoretische houding de tijd als 't ware stilgezet zou worden, afgetrokken wordt van de modale horizon, zodat de modale aspecten uiteengesteld kunnen worden Dat is dus een soortgelijk probleem als waarmee de filosofie vanaf Heraclitus en Parmenides gezeten heeft Maar is men dit probleem met te boven, als men bedenkt, dat het subjecte wel tijdelijk van aard is, maar dat de wet bestendig is, en dat de wetenschap daarop correspondeert' Spier zegt, dat de tijdsorde niet aan verandering onderhevig is (p 109), maar op de vorige bladzijde meent hij toch, dat aan de wetszijde van de normatieve aspecten verandering voorkomt Ik meen, dat hij op dit punt een noodzakelijke onderscheiding uit het oog verloor N1 deze, dat aan het gelden der wet de bestendigheid mhaerent is, maar dat de inhoud van dat wat gelding heeft zich m de historie ontplooit Dat is m i echter ook het geval met de natuuraspecten Mijn slotsom is met deze, dat ik de scheiding van tijd en verandering en het kosmisch karakter van de tijd volgens Spier's opvatting afwijs Verder dan een vermoeden ben ik op dit punt nog met Mijn slotsom is, dat mij zijn bewijsvoering en toelichting ten dele volstrekt onduidelijk is, ten dele met overtuigt WIJ komen nu tot het vraagstuk van tijd en eeuwigheid Hier kan ik Spier goed volgen en in deze kwestie bespeur ik bij hem, afgezien van enkele vraagtekens en opmerkingen een schriftuurlijke voorzichtigheid, die mij toespreekt Ik beperk mij nu verder tot die zaken, waarover hij mij niet bevredigd heeft Hoe weten wij iets van de eeuwigheid' Spier meent, dat dit mogelijk IS door de scheppingsopenbaring en door de Woordopenbaring (p 208, 209) Wat de eerste betreft, meent hij dat wij daardoor „enige notie" van de eeuwigheid hebben Even verder verbindt hij daaraan, dat de gelovige mens, die Gods werken observeert, een vaag besef van de eeuwigheid van de Schepper krijgt Dat schijnt mij in de bewijsvoering een vergissing, want zodoende is de invloed van de Woordopenbaring binnengesmokkeld Kan een mens uit de schepping zelf enige notie van de eeuwigheid krijgen' Ik meen van niet Hij kan op die wijze tot het vermoeden komen, dat er meer IS dan de tijdelijkheid hij kan dat meerdere de naam eeuwigheid geven, maar wat deze inhoudt kan hij aldus m geen enkel opzicht beseffen De Woordopenbarmg kan ons daar verder helpen, maar uiteraard met anders dan in overdrachtelijke zm, als 't ware vertaald in de taal van de tijd

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's

1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 235

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's