1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 58
42
G. J. HOIJTINK
een deeltjeskarakter toe te kennen, ten einde de wisselwerking tussen licht en materie te beschrijven. Op grond van de resultaten van zijn onderzoek naar de verstrooiing van a-deeltjes aan materie stelt Rutherford in 1911 zijn atoommodel op, waarvan Bohr uitgaat bij de mathematische beschrijving van het waterstofatoom. Om bij deze beschrijving niet in strijd te komen met de klassieke electrodynamica moet Bohr enkele postulaten invoeren, die door Sommerfeld enkele jaren later worden uitgedrukt in de bekende quantum-regels. Een tweede, nauwkeuriger beschrijving van het waterstofatoom door Bohr voert tot een reeks discrete energiewaarden, die in goede overeenstemming blijkt met de door Balmer, Ritz en Rydberg gevonden spectraalseries. Voor de overige atomen was echter eenzelfde quantitatieve beschrijving niet mogelijk. Met het waterstofatoom als basis, gelukte het echter de structuur van deze atomen qualitatief vast te stellen en in verband te brengen met de regelmaat in het periodiek systeem der elementen. De atoomphysica gaf dus de bevestiging van Dalton's atoomtheorie en de ionentheorie van Arrhenius en een versteviging van het valentiebegrip. De vraag naar de aard der interatomaire attracties bleef echter onbeantwoord. Wel kon men de electrostatische wisselwerking tussen ionen in oplossing en in de vaste toestand quantitatief beschrijven, doch hiervoor was de kennis omtrent de structuur der atomen niet essentieel. Voor het waterstofmolecuul had Bohr kort na de formulering van zijn postulaten een model ontworpen, waaraan Debije i) uitvoerige berekeningen heeft gewijd., De resultaten van deze behandeling gaven echter geen verklaring voor de grote stabiliteit van de binding tussen de beide waterstofatomen. Ook de klassieke behandeling van het waterstof molecule-ion door Niessen 2) en Pauli^) leidde niet tot overeenstemming met de experimentele gegevens. Lewis *) en Langmuir 5) stelden een theorie op, die een beschrijving, doch geen verklaring gaf voor de homoiopolaire binding. Volgens Lewis zouden bij de vorming van de binding tussen twee atomen steeds twee electronen betrokken zijn. Elk atoom in het molecuul zou op deze wijze een stabiele edelgas-electronenconfiguratie verkrijgen. Door het ontbreken van voldoende physische gronden leidde deze theorie echter in vele gevallen tot niet verantwoorde speculaties. Haar verdienste ligt echter vooral hierin, dat door de toepassing de chemicus langzamerhand vertrouwd raakte met de gedachte, dat de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's