Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 111

2 minuten leestijd

DE MENS IN DE BIOLOGIE

89

zang hoort. Zo moeten wij ook bij de vraag naar de relatie mens—mensaap aan het menselijk gedrag, aan zijn bewustzijnsvormen, zijn denkvermogen, zijn culturele capaciteiten, zijn geloofsfunctie, ja aan al het menselijke recht laten wedervaren. Niet in het lichamelijke komt in eerste instantie het typisch menselijke tot uitdrukking. Wanneer men spreekt van „het mensenleven", dan denkt men immers niet allereerst aan ademhaling, aan groei van beenderen, aan spieren of zenuwen, maar dan denkt men juist aan al datgene waardoor de mens zich van alle dieren onderscheidt. De zoöloog die de mens wil karakteriseren, moet beseffen dat de karakteristiek van de mens juist om deze eigenschappen absoluut buiten het dierenrijk valt, dat de mens dus niet zoölogisch te karakteriseren is. Wanneer wij voortdurend vasthouden dat de karakteristiek van de mens niet in het lichamelijke is gelegen, dan zijn de gegevens betreffende de afstamming van de mens, waarover de wetenschap beschikt, voor ons niet dreigend meer. Want al mocht blijken dat de prae-historische mens hoe verder wij teruggaan, hoe meer wat zijn lichaam betreft op een mensaap leek, en hoeveel lijken wij er nu niet op, dan is dat zeer interessant, maar het geeft geen antwoord op de vraag naar de oorsprong van het typisch menselijke. Op deze vraag zal de wetenschap langs de weg van onderzoek en experiment ook nimmer antwoord kunnen geven. Toch weet de Christen het antwoord hierop. Hij weet dit omdat hij om Christus' wil de Bijbel als het Woord van God een antwoord hoort geven. Omdat hij leest in Genesis 1 vs 26: „En God zeide: laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis" en Genesis 2 vs 7: „toen formeerde de Here God den mens van stof uit den aardbodem en blies den levensadem in zijn neus", en Hand. 17 vs 26: „Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt....". De Christen gelooft dus dat het God was die het typisch menselijke heeft geschapen. Wat beginnen wij met dit geloof echter in de wetenschap? Moeten wij dit geloof niet opzij zetten wanneer wij bezig zijn met het fossielenonderzoek en wanneer wij anatomie bedrijven? Zijn geloof en wetenschap niet twee ongelijkwaardige zaken?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's

1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 111

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's