1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 72
56
G. A. LINDEBOOM
van synanastomosen tvissen arteriën en venen, Galenus kende de bloedsomloop niet. Hij stelde zich de bloedsbeweging voor als een terugtrekkende golf, als bij eb en vloed. Zo bereikt het bloed uit de oplopende en holle aders ook de rechter helft van het hart. De vraag is nu, hoe het bloed uit het rechter in het linker hart kwam. Daar men de iongcirculatie niet kende, nam men aan, dat dit door het tussenschot heen geschiedde. Het septum was dus in deze conceptie vrij doorgankelijk voor bloed. Wel waren daar geen openingen of poriën in te zien, maar dit geloof zat zo diep, dat Vesalius in de eerste uitgave van zijn Fabrica (154S), waarmede hij storm liep tegen de anatomie van Galenus, die de ontleedkunde van het varken veelal zonder meer op den mens had overgebracht, — toegeeft, dat deze poriën onzichtbaar zijn, doch juist daarom den Schepper te prijzen acht, dat het bloed er toch door kan -! Het bloed komt dus, naar deze voorstelling, uit de rechter hartkamer door het septum naar de linker. Hoe geschiedt nu de omzetting van aderlijk in slagaderlijk bloed, die, naar wij weten in de longen gebeurt? Men nam twee factoren aan: a. de calor innatus, de ingeboren warmte, die in het hart zelf zijn zetel heeft; b. de toevoer van lucht (spiritus) door de venae pulmonales, die van de longen naar de linker harthelft gaan. Deze grote venen bevatten namelijk na den dood geen bloed. Deze brede conceptie, die bijna anderhalf millennium heeft geheerst, was niet zo maar overwonnen. Het heeft een eeuw geduurd, eer men haar leerde verwerpen. Daarvoor was ten eerste nodig, dat het septum gesloten werd en vervolgens dat de venae pulmonales bloed in plaats van lucht aanvoerden. Servet deed in deze richting een eerste stap door aan te tonen, dat het bloed vanuit de rechter hartkamer door de iongslagaderen naar de longen gaat, en daar via de vele kleine vertakkingen zijn weg vindt naar de longaderen, die het leiden naar het linkerhart. Zijn voornaamste argumenten zijn van anatomischen aard. Hij wijst allereerst op de veelvuldige verbindingen tussen longslagader en longader. Vervolgens wijst hij op de opvallende grootte van de longslagader. In de oude conceptie vloeide het bloed hierin van het rechterhart naar de longen en weer terug. Het werd daar enigszins van vuil (roet) gezuiverd, maar hoofdzakelijk diende dit bloed om de longen te voeden, zoals ieder orgaan bloed voor zijn voeding nodig heeft. Nu is volgens Servet de longslagader veel te groot, indien ze alleen moest
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's