Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 56

2 minuten leestijd

40

G. J. HOIJTINK

het valentiebegrip door Frankland, Kolbe en vooral Kékulé. Daarmee was de gedachte der discontinuïteit tevens de basis geworden voor de beschrijving van de bindingsmogelijkheden der atomen in het molecuul. Elk atoom kan zich slechts met een zeer bepaald aantal andere atomen verbinden. In deze tijd voert Cooper het thans nog gebruikte symbolenschrift in, waann de binding tussen de atomen in het molecuul wordt v/eergegeven door een verbindingsstreepje. Van 't Hoff weet zich tenslotte van deze tweedimensionale structuurbeschrijving los te maken en geeft eerst voor koolstof en later ook voor stikstof een ruimtelijke voorstelling van de valentierichtingen, waardoor het probleem der optische isomeric eveneens teruggevoerd kon worden tot een verschil in ruimtelijke ordening der atomen in het molecuul. In 1891 gaf Werner een uitbreiding aan het valentiebegrip, welke van bijzondere betekenis werd voor de structuurbeschrijving van meer gecompliceerde anorganische verbindingen. De aanvaarding der gedachte der materiële discontinuïteit had in minder dan een eeuw tot een systeem geleid, met behulp waarvan de grote verscheidenheid van verbindingen kon worden herleid tot een verschil in aantal, soort en ruimelijke rangschikking van de atomen in het molecuul. Het was echter niet mogelijk de eigenschappen van de verbindingen direct uit hun structuur af te leiden. Daartoe zou men eveneens de aard van de atomen en de interatomaire krachten moeten kennen. Reeds Davy en Berzelius hadden getracht een verklaring te geven voor de interatomaire attractie, doch gezien het hypothetisch karakter van Dalton's theorie waren deze pogingen noodzakelijk gedoemd te mislukken. Het verband tussen eigenschappen en structuur bleef daarom ook zuiver empirisch. Uit de stioictuurbeschrijving en de experimenteel gevonden eigeiischappen kon men reeksen van verbindingen opstellen, die een nauwe verwantschap in structuur en bepaalde eigenschappen vertoonden. Deze gevonden verbanden konden weer dienen om eigenschappen van nog niet onderzochte verbindingen te voorspellen. Uit het voorgaande blijkt, dat zowel in de organische als in de anorganische chemie de theorie van grote betekenis is geweest voor de integratie der experimenteel gevonden verbanden. In de physische chemie, die zich in de tweede helft der 19e eeuw als een zelfstandige richting begint te ontwikkelen, heeft de discontinuïteitsgedachte niet die betekenis gehad als in de organische en anorganische chemie. Zelfs waren er physicochemici, onder wie

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's

1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 56

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's