Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 217

3 minuten leestijd

GEBEDSGENEZING

183

gen voor het heden nauwelijks aanvaarden, desnoods alleen theoretisch mogelijk achten, voor de Bijbelwonderen en de genezingswonderen uit het Nieuwe Testament houden ze er dan toch zeker nog aan vast, in overeenstemming met de Gereformeerde theologie. Het getuigt mijns inziens van moed, dat de in den oorlog helaas omgekomen Diemer als zijn overtuiging heeft durven te kennen gegeven, dat dit toch eigenlijk op een deïstische (natuur-) beschouwing berust. De natuur is hier een zelfstandig iets met eigen wetten, waarin God zo nu en dan van boven af ingrijpt; uit den hemel daalt Gods hand af om een en ander op aarde recht te zetten. Het is wel zeker, dat een dergelijke deïstische opvatting over de verhouding van natuur en God m.oeilijk Bijbels genoemd kan worden. De natuur is in den Bijbel geen volkomen zelfstandig iets, maar ze wordt door God in zijn creatio continua voortdurend gedragen. Zeker „rustte" God na de Schepping, maar het boek Job tekent ons het natuurgebeuren als het voortdurend werk van Zijn handen. God is voortdurend in de natuur werkzaam. Hij is in de natuur in panenthetïstischen zin. En zo laat de Bijbel ons allerlei dingen, die ons bekend zijn als normale, wetmatige natuurgebeurtenissen, zien als onmiddellijke daad Gods. „Het is dan ook van schriftuurlijk standpunt niet geoorloofd een scheiding te maken tussen een onmiddellijk werken Gods bij de „tekenen en wonderen" en een middellijk bij het zogenaamde gewone natuurleven". „De zogenaamde machten der natuur kunnen niet los van God en op zich zelf werkend worden gedacht, doch moeten steeds worden gezien als afhankelijk van Hem, van Wien ze uitgaan". Daarom citeert Diemer met instemming G. J. Sizoo, waar deze zegt, „dat zelfs.... zeer concreet in de Schrift datgene wat zich aan ons voordoet als de normale gang van het natuurgebeuren, genoemd (wordt) als de onmiddellijke daad Gods". Het komt mij voor, dat met de beschouwingen van Diemer, die hij dan verder toepast op de wondergenezingen, veel gewonnen kan zijn. Ten eerste komen wij zo af van het dominerende primaat van het klemmende dilemma: natuurlijk of bovennatuurlijk. Men heeft van Christelijke zijde ook het veranderd aspect der natuurwetten in verband met het wonder gebracht. In de vrijheid en onvoorspelbaarheid der intra-atomaire processen, waar volgens de moderne physica het beginsel der causaliteit niet heerst, een mogelijkheid voor het wonder te zoeken, heeft echter velen steeds crekunsteld en gewrongen aangedaan. Wanneer dit dilemma wordt afgewezen en het wonder als een

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's

1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 217

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's