1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 137
DE MENS IN DE GENEESKUNDE
111
schappelijke denken, om te komen tot een meer omvattende anthropologic. Wanneer ik het woord anthropologic gebruik, is het voor de studenten der Bêta-faculteiten misschien gewenst er op te wijzen, dat hiermede dan niet bedoeld is die natuurwetenschap, die allerlei physische eigenschappen van den mens nagaat bij verschillende rassen, zoals schedel- en bekkenmaten, of in de anthropogenetica de wording van den mens bestudeert, die zich bij voorbeeld interesseert voor de aangezichtshoek der Eskimo's, de lengte van het kroeshaar der negers of de kromming van het stuitbeen van de Patagoniërs — doch die wetenschap, die den meps niet zozeer als natuurverschijnsel bestudeert, doch haar aandacht richt op de bijzondere plaats van den mens in den kosmos, zich afvraagt, welke doeleinden hij najaagt en waardoor hij tenslotte gedreven wordt, welke betekenis dit alles heeft, en hoe zijn innerlijke totaal-structuur is. Men noemt dit ook wel de wijsgerige anthropologic.
En dan rijst allereerst de vraag, of het juist is den mens nu alleen te zien in de biologische orde, waar hij ongetwijfeld staat en waarin men zijn plaats in de rij der zoogdieren ongetwijfeld vrij nauwkeurig kan aanwijzen; of het wel juist is, het eigene van den mens alleen in anatomische kenmerken of in functionele, zoals de spraak, te zoeken. Reeds de wijze waarop de mens zich zelf beleeft en leert kennen, waarop hij waarden aanvaardt en waarden schept, wijst in een andere richting. De mensbeschouwing, die de Bijbel geeft, is wel een geheel andere. Zeker is hij ook daar gevormd uit het stof der aarde, hij is van de aarde aards, en dan ook onderworpen aan de wetten en de drift en de drang van het natuurlijke leven. Maar deze mens is dan toch geschapen naar het beeld van God, dat wil zeggen, hij staat ook in een andere orde dan de horizontale, biologische, hij staat ook in de verticale orde met het aangezicht naar boven, en deze plaatsing bepaalt het specifiek-menselijke. Het is niet alleen dat hij met zijn verstand als homo faber allerlei werktuig kan ontwerpen en zich er van bedient en zo de natuur onderwerpt, afdaalt in de diepte der zee en opstijgt in de hoogte van het luchtruim, dat hij de gang der sterren kan nagaan en de bouw van het heelal beschouwt, — dat alles is in ziekte niet van veel belang — het geheel bijzondere van de mens, wat wel van belang is, ligt veeleer daarin, dat hij, in zijn vervallen staat,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's