1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 108
86
J. LEVER
Uit deze grote vormverwantschap wordt door velen de conclusie van een genetische verwantschap getrokken. Men is meestal van opinie dat geen der recente mensapen tot onze directe voorouders behoort. Men meent dat het veeleer zo beschouwd moet worden, dat de mensapen en de mens afstammen van eenzelfde nu uitgestorven diersoort en zich naderhand ieder in eigen richting hebben ontwikkeld. III.
FOSSIELE MENSELIJKE RESTEN
Zo zijn wij vanzelf tot een tweede probleem gekomen dat wij vanmorgen moeten aanstippen, n.l. : zijn er redenen om aan te nemen dat de mens niet alleen vorm-verwant, maar ook genetisch verwant met de mensapen is? Het is begrijpelijk dat deze vraag bij ons een gevoel van grote geinteresseerdheid opwekt. Ik kan mij voorstellen dat velen Uwer het liefste hadden dat vanmorgen uitsluitend over deze zijde van ons onderwerp gesproken zou worden. Het zal U straks hopenlijk duidelijk worden dat deze vraag slechts in een duidelijk licht komt te staan wanneer wij haar behandelen in verband met de vragen naar overeenkomsten en verschillen tussen mens en dier. Op grond van velerlei onderzoekingen komt men tegenwoordig allerwege tot de conclusie dat de recente mens reeds zo ongeveer 100.000 jaar bestaat. De fossiele overblijfselen wijzen uit dat er gedurende deze gehele periode op aaide wezens leefden die vrijwel net zo gebouwd waren als wij, die het vuur gebruikten, die speer en boog hanteerden en die ook verder een zekere cultuur hadden. In afzettingen welke zo tussen de 100.000 en 200.000 jaar oud zijn vindt men fossielen van wezens (fig. 8), welke in bepaalde opzichten niet geheel op ons geleken, n.l. van de z.g. Neanderthal-mensen. Deze weken in bouw van ons af, doordat zij dikke ronde beenwallen bo\'en de ogen en een laag voorhoofd bezaten, doordat hun kaken veelal enigszins naar voren waren gericht en doordat een duidelijke kin ontbrak. In nog oudere aardlagen, zo tot zeker 500.000 jaar terug, heeft men vele restanten gevonden van wezens, die nog meer van de huidige mens afweken (fig. 9). Deze benoemt men als Pithecantropus. Met name waren bij hen de kaken ver naar voren gericht, zodat men van een snuit zou kunnen spreken. De schedelinhoud was geringer dan die van ons en verder vertoonde de schedel verschillende aapachtige kenmerken. Om deze redenen duidt men alle vormen die dit type
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's