1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 120
96
J. LEVER
op een echte „nestvlieder" reeds bij de geboorte is. Laat U het maar eens goed op U inwerken dat een veulen direct na de geboorte kan staan, kan lopen, goed kan zien, de kudde kan volgen, in geluidscontact met zijn ouders en soortgenoten staat. 'f'i^p^, Wanneer we dus zien dat de mens na 1 jaar pas daar is waar een veulen al bij de geboorte is, dan betekent dit, dat wanneer de toestand bij de mens was zoals een zoöloog van een „nestvlieder" mag verwachten, de zwangerschap niet 9 maar 21 maanden zou moeten duren. Nu zult U wellicht denken dat dit absurd is. Dat is het voor een zoöloog in het geheel niet. Dergelijke lange draagtijden komen voor. Bij de potvis duurt de zwangerschap b.v. 16 maanden. Het jong is bij de geboorte dan ook 4 meter lang. Bij de Indische olifant duurt de zwangerschap 21—22 maanden en is het direct tot lopen in staat zijnde jong 100 kg zwaar. De menselijke geboorte is dus vanuit zoölogisch standpunt bezien een vroeggeboorte. Het bijzondere van de toestand van de mens kunnen wij ons het best voor ogen stellen door de verschillende typen van geboren worden bij de 4-voetige gewervelde dieren in volgorde van hun ontwikkelingstrap te bezien. De eenvoudigste toestand vinden wij bij de meeste reptielen. De jonge schildpadden, hagedissen en slangen (fig. 17) komen veelal geheel voor het leven gereed uit de eieren kruipen. Zij zijn direct tot velerlei activiteit in staat. Meestal zien zij hun ouders niet eens. Bij de minst ontwikkelde vogels kennen wij een dergelijke toestand. De hoenderkuikens en de jonge eenden (fig. 18) kunnen zich grotendeels zelf redden. Zij zijn echte ,,nestvlieders". De hoogst ontwikkelde vogels, zoals lijsters (fig. 19), meeuwen, spechten en papegaaien zijn „nestblijvers", waarbij de ouders een tijdlang vele functies voor de jongen vervullen om hun hogere ontwikkeling mogelijk te maken. Dezelfde vorm van ,,nestblijven" vinden wij bij de laag ontwikkelde zoogdieren, zoals wij zagen (fig. 11). Bij de hogere zoogdieren is dit „nestblijven" niet voldoende om de hogere ontwikkelingstrap te bereiken. Hier vi'ordt het probleem opgelost door het jong veel langer in het lichaam te houden dan bij de „nestblijvers". Zo lang zelfs dat een nieuwe vorm van ,,nestvlieden" (fig. 20), wat Portmann noemt „secundair nestvlieden", ontstaat. Op
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's