1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 277
WAT IS DE MENS?
239
manisme, de Rooms-Katholieke philosooph Gabriel Marcel en tenslotte ook Heidegger, welke laatste, zoals Delfgaauw naar ik meen duidelijk heeft aangetoond i), zich eveneens voor het Goddelijke openstelt. Het zijn is volgens Heidegger juist datgene wat zich aan de macht van de mens ontdekt. De grote moeilijkheid voor de moderne mens ligt hierin, dat denken voor hem bemachtigen geworden is en het zijnsdenken daarom een onmogelijkheid. Het zijnsdenken evenwel vereist een zich openstellen voor het zijn. In „Sein und Zeit" wordt de nietigheid van de zijnden de mens ten dele geopenbaard in de verveling, meer uitgesproken evenwel in de angst, welke in wezen doodsangst is. In de angst vallen de zijnden als het ware weg en dit wegvallen betekent voor de mens het niets. Doch dit niets is het zijn. Het wegvallen van de zijnden heeft de blik vrijgemaakt voor het zijn Daardoor verkeert de angst in vreugde. Vreugde en blijdschap nu zijn de stemmingen waarin de mens in het zijn staat en het heilige, het Goddelijke in het zijn ontwaart. Hölderlin nu zou het eerst en het diepst de ,,Fehl Gottes" ontdekt hebben en getracht deze dichterlijk te verwoorden. De weg naar God evenwel is nog niet de weg van het Christendom. Ook in het Christendom hebben we te maken met de drie aspecten van de mens, het determinerende moment van de zonde (erfzonde) met daarbij de praedestinatie, welke in vele kringen een allesbeheersende betekenis krijgt. Het tweede aspect transcendeert het eerste in de gemeenschap, in de liefde tot God en de naaste, in de concrete situatie hier en nu, als woord en antwoord in de ontmoeting met een Gij (resp. gij). Tenslotte zien we het element van de heilsverwachting in allerlei zwevende chiliastische en eschatologische opvattingen te zwaar geaccentueerd naar voren komen. Bij de vele aspecten, welke de mens vertoont, heeft elk oordeel over de mens de betekenis van een duiding in de zin van aanduiding. Elk oordeel, elke theorie wijst heen naar de mens. Elk oordeel evenwel schijnt dikwijls weinig meer te zijn dan een vooroordeel en niet zelden houdt het een veroordeling in! Er is een dialectische spanning tussen eenheid en veelheid, de mens stoot steeds op het mysterie; legt hij zich
^) In een studie Heidegger en Hölderlin, Handelingen van het Twintigste Vlaams Philologencongres.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's