1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 110
88
J. LEVER
recente mensapen en die over de uitgestorven mens-achtige wezens er niet op dat toch het cvolutionisme gelijk heeft? Met opzet heb ik de compositie van dit college zo gekozen dat deze vragen bij ons moesten opkomen en tevens om U te laten zien voor welke geloofsmoeilijkheden een Christelijk natuuronderzoeker, die zijn weg door deze materie moet vinden, komt te staan. Wij doen daarom goed ons nu allereerst rekenschap te geven van welk uitgangspunt wij, hier aan de Vrije Universiteit, deze hele materie m.i. hebben te benaderen. Daartoe proberen wij allereerst het uitgangpunt van de meeste andere onderzoekers van deze materie te vinden. In het voorgaande begaven wij ons in een gedachtenrichting zoals deze in de zoölogie en de historische anthropologic gangbaar is. Daar deze wetenschappen sterk evolutionistisch ingesteld zijn, zoekt men n.l. vaak, soms onbewust, speciaal naar die kenmerken waarin de mens met de mensapen overeenstemt. Men is reeds van te voren overtuigd van de genetische relatie. Men weet reeds, voordat men begint met het onderzoek, waar pien heen wil. Het onderzoek dient slechts om een stelling te bewijzen. Daarom is men er spoedig toe geneigd de verschillen tussen mens en mensaap te bagatelliseren. Deze instelling is om tweeërlei redenen verkeerd. In de eerste plaats dienen wij te beseffen dat wij bij alle wetenschappelijk onderzoek over dergelijke vraagstukken de argumenten pro en contra nauwkeurig tegen elkander moeten afwegen. Het is onwetenschappelijk en slordig om de ene schaal van de balans maar vol gegevens te stapelen en de contra-gewichten te vergeten. De argumenten moeten ook hier niet „in de waagschaal", maar in de waagschalen. Wij zullen dus met alleen maar naar kenmerken moeten zoeken welke mens en mensapen gemeen hebben, maar wij dienen evenveel aandacht te besteden aan de kenmerken waarin zij verschillen. De tweede fout waarin wij gemakkelijk vervallen is deze, dat wij vergeten dat wij om een diersoort te karakteriseren niet uitsluitend naar de ruimtelijke vorm, naar het lichaam, moeten zien, maar dat wij ook de typisch biotische verschijnselen en het typische gedrag, ja het gehele wezen van de betreffende soort in onze redenering moeten betrekken. Om een heel duidelijk voorbeeld te geven : op grond van de bouw van het lichaam, het verenkleed en de kleuren zijn de fitis en de tjiftjaf niet gemakkelijk van elkander te onderscheiden. Maar ieder van U zal direct de twee soorten uit elkander halen wanneer U hun
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's