1954 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 195
ZONDE EN ZIEKTE
161
nisverwerving van onze zonde? M.a.w. rust ons zondebesef in zich zelf, garandeert het de waarheid van ons zondig zijn? Men behoeft, om deze vraag te beantwoorden, niet eens te verwijzen naar de aberraties in het zondebesef of naar de vertekeningen, die ons zondebesef onder bepaalde omstandigheden levert. Want de Schrift zelf leert ons, dat ons zondigzijn niet door ons zondebesef wordt gedekt, ja dat dit besef niet eens dienstig kan zijn om ons het zicht op ons zondigzijn te openen. We lezen in Psalm 90: wij vergaan door Uw toorn; en even verder: Wie kent de sterkte Uws tooms? Dit is een rhetorische vraag, en betekent in feite: geen mens kent de sterkte van Gods toorn. Noordtzij maakte een echt subjectivistische vergissing, toen hij (K.V. Psalmen, II 81) dit als een informerende vraag opvatte en schreef: ,,als Mozes rondom zich ziet en zich dan de vraag stelt wie van zijn volksgenoten doordrongen is van de ontroerende ernst des levens en de vreze des Heren tot het beginsel zijner wijsheid maakt, dan is hij niet in staat op dat „wie?" een antwoord te geven." Deze verklaring meent, dat er op de vraag een gedetailleerd antwoord mogelijk was : deze wel en die niet. Maar even te voren lazen we: We vergaan door Uw toorn; het is goed op beide uitspraken te letten, in verband met elkaar. Dit vergaan door Gods toom maakt ons ongeschikt om die toorn te kennen. Die toom is zó vreselijk, dat de volle kennis ervan de kenner zou vernietigen. Het verschil tussen de oppervlakkige, ongelovige mens en de mens die de Here dient is niét, dat laatstgenoemde Gods toom zou kennen; ze kennen die geen van beide, maar de gelovige mag gelóven wat God, voorzichtig, omtrent onze zonde zegt, en Zijn woord is hem wijsheid. Maar de ongelovige lacht er ongelovig om, het is hem dwaasheid. Dezelfde gedachte vinden we in Jeremia 17 : 9, een woord van zeer algemene strekking: „Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja dodelijk is het, wie kan het kennen? Ik de Here doorgrond het hart en toets de nieren". Ook hier de rhetorische vraag: wie kan het kennen? D.i.: geen mens kan het kennen; wat bevestigd wordt door de daarop volgende woorden: Ik de Here doorgrond het. Wie het phaenomeen zondebesef als uitgangspunt neemt bij zijn denken over de zonde komt niet heel ver, en staat zich zelf in de weg. Niet alleen is ons zondebesef altijd hoogst gebrekkig en bevlekt; niet alleen zal hij, die hier van het subjectieve zondebesef uitgaat, in grote moeite komen als hij de — soms veel meer indrukwekkende — voorbeelden van heidens zondebesef tegenkomt; maar vooral is hij vergeten, dat ons Christelijk zondebesef tot onze geloofskennis behoort en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 290 Pagina's