1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 322
250
M. J. ELZINGA
daarvan bevrijd wordt. Het aantal mensen, dat aan een analyse onderworpen wordt is echter, afgezien van de vraag of deze inderdaad de mens vrij maakt, zo gering, dat de genoemde bevrijding voor onze verdere beschouwingen gevoegelijk terzijde kan worden gelaten. De mens is dus volgens deze beschouwingen gedetermineerd en hij kan hieraan niet ontkomen. De vrije keuze is een fictie, en het lot en de levensloop van de mens is tot op zekere hoogte reeds in zijn jeugd bepaald. In deze beschouwingen is geen sprake van schuld in de christelijke zin van het woord, omdat schuld geïdentificeerd wordt met lot. Het valt niet te ontkennen, dat in deze beschouwingen een kern van waarheid kan zitten. Immers ook op psychisch en somatisch gebied kan men zeker van een bepaald determinisme spreken. Men denke aan aangeboren misvormingen, aan debilitas mentis, als negatieve en ook aan goede intelligentie en goede lichaamsbouw e.d. als positieve eigenschappen, welke geheel of gedeeltelijk erfelijk zijn bepaald. Het blijkt echter uiterst lastig te zijn om een scheiding tussen verkregen en verworven eigenschappen te leggen. Het belangrijkste is toch wel, dat het gedetermineerd zijn bij elke mens tot op zekere hoogte bij zijn geboorte en bij zijn opvoeding wordt bepaald. Het is, evenals bij het natuurwetenschappelijk denken, van grote betekenis de waarde van dit alles te erkennen, maar men stelle dit niet absoluut. Wat de mens aangaat, kunnen wij zeggen, dat hij volgens het wetenschappelijk onderzoek vele parallellen vertoont met het dier en dat hij, wat het somatische aspect betreft, onderworpen is aan de wetten, die daarvoor gelden, terwijl het psychische aspect ook analogieën vertoont met die van het dier. Men kan nog verder gaan en zeggen, dat de mens en het dier beide een psychosomatische eenheid zijn, Waarvan de mens hoger ontwikkeld is dan het dier en waarbij men bij de mens eigenschappen kan ontdekken, die het dier mist. Echter komt men op deze wijze nimmer tot de ontdekking, waar het specifiek menselijke te vinden is, of anders gezegd, wat de mens tot mens maakt. Het is hier, waar een van de raakvlakken gevonden kan worden met de pastorale zorg. Immers het ware mens zijn, zijn taak en opdracht in deze wereld, kan nimmer langs natuurwetenschappelijke weg worden gevonden. Sommige palaeontologen zeggen, dat men pas dan van menselijke skeletten mag spreken, wanneer men bij de vindplaatsen cultuur-resten aantreft, wat zich bijvoorbeeld kan uiten in de resten van verkoold hout. Dit zou bewijzen, dat het een menselijk skelet is geweest, omdat dieren geen vuur kunnen maken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's