1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 97
HENDRIK WILLEM BAKHUIS ROOZEBOOM (1854—1907)
71
dracht te Aken in 1900, dus bij elke gelegenheid, dat hij uit de teruggetrokkenheid van het laboratorium in de openbaarheid trad, heeft hij de kans benut van het christelijk geloof te getuigen. In zijn inaugurele rede „De wetenschappelijke beoefening der chemie en hare uitkomsten" (1896) merkt hij op, dat het resultaat van het chemisch onderzoek enerzijds onze verheven grootheid, anderzijds onze onbeduidende kleinheid openbaart. Hij constateert ook, dat de denkende mens niet kan blijven staan bij de uitkomsten van zijn onderzoek der natuur; hij rust niet vóór hij die uitkomsten in verband gebracht heeft met zijn kennis der geestelijke wetenschappen en die verwerkt heeft tot één wereld- en levensbschouwing. En het resultaat daarvan leidt tot verschillend waarderingsoordeel over die grootheid en kleinheid. De monistische wereldbeschouwing, die op de natuurwetenschap gegrond heet te zijn en daarvan de oplossing van alle raadselen verwacht, verheft op grond van die verwachting het kenvermogen van de mens hemelhoog. Daarnaast staat de positivistische wijsbegeerte, die juist de tekorten der menselijke kennis scherp ziet en, uitgaande van haar uitsluitend mechanische natuurbeschouwing, geen antwoord op de fundamentele vragen mogelijk acht en daarom eindigt met een „ignorabimus". Aan de andere zijde stelt hij de christelijke openbaring, die de waarheid van beiden, grootheid en kleinheid van de mens, erkent. Alleen de openbaring, niet de natuurwetenschap, kan ons iets leren over oorsprong en einde der dingen. Het christelijk geloof verheft ons wetenschappelijk onderzoek, doordat het ons verzekert, dat de mens, als beelddrager Gods, over Gods werk en de daarin gelegde orde ook werkelijke kennis kan verwerven (iets wat wij krachtens ons denken nooit zeker weten). Maar die openbaring laat geen plaats voor verheerlijking van de mens; ,,Wathebt gij toch, o mensch, dat gij niethebt ontvangen? En zoo gij het ontvangen hebt, wat roemt gij?" En dan wijst Roozeboom op de gegevenheid van de natuurlijke dingen; in wezen kunnen wij er niet aan toedoen of afdoen en bij al onze beheersing van de stof zijn wij gedwongen te blijven ,,binnen de kring der wondervolle ordening, daarin door de hoogste wijsheid gelegd". De hoogste kennis, de stoutste beheersing der natuur, laat toch slechts plaats voor een lofzang ter ere van Hem „uit Wien, door Wien, en tot Wien alle dingen zijn". Maar ook het andere aspect, de onvolledigheid van onze kennis, wordt door de bijzondere openbaring in een ander licht gezien: de handhaving van de eenheid van alle wetenschappen verhoogt de be-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's