Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 212

3 minuten leestijd

158

J. LEVER

mensachtige vormen, n.l. de reuzen, als frugivoor beschouwd m.oelen worden en wel op grond van de overweging, dat het eten van plantaardig voedsel zware kiezen en kaken en sterke kaakspieren vraagt. Wanneer wij dan bovendien bedenken dat ook de andere hogere Primates, n.l. de mensapen, frugivoor zijn, krijgt dit nog een bepaald accent. Daar komt nog bij, dat trugivore vormen steeds aan een bosachtig biotoop locaal gebonden zijn. De overgang van de frugivore paradijstoestand naar de omnivore na-paradijstoesland krijgt dus wellicht ook van biologische zijde steun, vi'ant pas deze carnivore mens kan het bosachtig biotoop verlaten, daar hij overal wel voedsel kan vinden en bovendien het wild volgt. Men kan zelfs nog verder speculeren en uit de veranderde voedselkeuze een invloed op de schedel verwachten: vlees-eten eist minder grote kiezen dan planten-eten, dus ook een kleinere kaak, dus ook minder ontwikkelde kaakspieren, zodat dus ook de druk op het schedeldak, waar de kaakspieren aangehecht zijn, minder wordt en de hersendoos groter kan worden. Deze 4e aangestipte mogelijkheid impliceert dus ook, dat het niet uitgesloten geacht moet worden dat de eerste mens veel mensaapachtiger was dan wij en tevens, dat de vorm van het menselijk skelet, met name van de schedel, veel variabeler is dan wij lang hebben gemeend. De tekst uit Genesis 6, dat in de „voortijd" reuzen leefden, verbaast ons dan niet. Het is niet onmogelijk dat Adam en Eva reuzen waren. Het reeds door Abel gebrachte offer „van de eerstelingen zijner schapen" doet ons denken aan het „Primitialopfer" der Neanderthalers. De voorkeur der ijstijdmensen voor dieren-afbeeldingen kan gezien worden in het licht van de duidelijke voorkeur die Genesis hen boven de planten geeft: het naamgeven werd reeds genoemd; het plantenoffer van Kaïn werd niet aanvaard. Men denke er ook aan dat gedurende het gehele Pleistoceen reeds werktuigen werden gemaakt en dat dit gebruik in Genesis zinvol na het paradijsverhaal wordt geplaatst. Tegen deze vierde hypothese kan o.a. worden opgemerkt, dat deze niet alleen belemmerd wordt door de geslachtstafels, maar ook door de volgorde der mededelingen in Genesis 2 tot en met 6, waar b.v. Jubal, de fluitspeler, reeds vroeg wordt genoemd en de reuzen veel later, terwijl de wetenschappelijke gegevens ons er toe doen neigen deze volgorde om te keren. Hoewel beide bronnen ons bij nauwkeurig lezen en nadenken nog wel meer speling geven dan men op het eerste gezicht denkt, raakt deze tegenwerping toch een teer punt in deze hypothese.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's

1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 212

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's