1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 81
ERFELIJKE MISVORMING BIJ DE MENS
6?
van 20,4 % en bij een overeenkomstige groep tot 21,4 %. Hij meent dan ook een monomere recessie bij de overerving te moeten aannemen, omdat deze cijfers, ook de middelbare fout in aanmerking genomen, niet zo ver af liggen van de te verwachten 25 procent. Een van de methoden om een recessieve erfelijkheid aan te tonen, is, zoals U bekend zal zijn, de uitmendeling van het homozygote kenmerk door kruising van twee heterozygoten. Binnen familiekringen van homozygoten zal er dus een ophoping zijn van deze heterozygoten, zodat inteelt, in dit geval familie-huwelijken, de uitmendeling in de hand zal werken. Dit bleek ook bij het materiaal van Polman het geval te zijn: bij 123 huwelijken bleken er 15 gevallen te zijn, die in een bepaalde familierelatie tot elkaar stonden. Twee groepen van vier misvormde kinderen waren op één voor-ouderpaar terug te voeren. 25 families, waarin misvormde kinderen voorkwamen, waren terug te brengen op één gemeenschappelijk ouderpaar. Dit alles wijst op recessieve erfelijkheid. V/at betreft de exogene momenten schrijft Polman: „Lues en andere chronische infectieziekten, noch acute infectieziekten spelen een rol van betekenis. Een onderzoek naar een eventueel rhesus-antagonisme is niet ingesteld; eveneens bleef een onderzoek naar de voeding achterwege; in één gedeelte van het onderzochte materiaal is er aanleiding om aan een jodium-deficientie te denken. De argumenten voor een erfelijke genese zijn echter zodanig, dat aan exogene momenten wellicht slechts een praedisponerende betekenis zou moeten worden toegekend; het zou kunnen zijn, dat de erfelijke aanleg voor de onderzochte afwijkingen tot uitdrukking gebracht werd via een erfelijkheid van een tekortschietende endocrine functie, speciaal met betrekking tot de schildklier, zoals Pasma (7) overweegt." De grote waarschijnlijkheid van een recessieve overerving bij de anencephalie wordt mede gesteund door onderzoekingen van Lenz, Schade en Murphy. Ik lees bij Polman, dat Murphy, aan de hand van een uitgebreid materiaal, heeft berekend, dat er in families, waar reeds één misvormd kind was geboren, een kans van 1 ; 8,9 was op een tweede; in de gemiddelde bevolking is de kans 1 op 213 geboorten. Een bewijs voor de erfelijkheid van bepaalde kenmerken is ook, wanneer er een zekere regelmaat is in de overdracht, dat wil zeggen wanneer er, tot op zekere hoogte, een mendelistische wetmatigheid kan worden afgelezen uit de wijze, waarop het betreffende kenmerk of afwijking van geslacht op geslacht gaat. Dit geldt nu met
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's