Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 210

3 minuten leestijd

i56

J. LEVER

ziet, waarna pas de huidige mensheid ontstaan is. Ook in deze gedachtengang kan de tijdsduur der geslachtsregisters historisch juist zijn. Men kan deze gedachte nog dieper met het paradijs-verhaal correleren door aan te nemen dat de Pleistocene mens in zoverre in een staat der rechtheid leefde, dat hij de begrippen goed en kwaad niet kende, dat hij er ook geen weet van had dat de mens een geest heeft en daarom ook niets van een hiernamaals wist en dus zijn doden niet als lijken, maar als verstarde levenden beschouwde, die men voedsel, wapens, enz. moest meegeven en die men binden moest om te voorkomen dat zij terug zouden keren. Tevens wist men wel dat er een God bestond, maar meende dat deze hier op aarde, onder de grond, woonde, vandaar het concrete (niet verbrande) offer vanberenschedels enz. Men kan er dan ook op wijzen dat de ijstijdmensen slechts dieren en mensen tekenden en nimmer planten, en dit correleren met de opdracht die de mens van God ontving (zie Genesis 2, vs. 19 en 20) om de dieren namen te geven, terwijl de planten niet genoemd worden. Door de een of andere oorzaak, de zondeval, is het onderscheid van goed en kwaad ontdekt, is de mens te weten gekomen dat hij een ziel had, dat er een hiernamaals is, en een hemel waar God woont. Daardoor werd de afstand God—mens haast onoverbrugbaar groot, daarom kwam het brandoffer met de opstijgende rook, daardoor ontstond de strijd in het hart van de mens, daardoor werd het sterven de dood, daardoor moet de mens werken voor zijn brood, ontstond de akkerbouw, enz. Ook deze redenering heeft enkele aantrekkelijke aspecten, maar een groot bezwaar is, dat het paradijsverhaal uit de Bijbel ons sterk onder de indruk brengt van de gedachte, dat slechts twee mensen de hof van Eden bewoonden. 3. Nu kunnen we een derde gedachtengang opstellen die de kernmomenten van beide voorafgaande hypothesen min of meer combineert. Hierbij kan men er van uitgaan, dat wat de twee vorige hypothesen voorstaan, beide waar is, n.l. van de eerste dat inderdaad Adam en Eva de voorouders van alle recente mensen zijn, maar tevens van de tweede dat er naast hen en voor hen een wijd verspreide populatie was van geheel gelijksoortige mensen. Slechts 2 mensen leefden echter in de hof van Eden, slechts deze 2 verwierven de kennis van goed en kwaad, slechts deze 2 zijn de voorouders van alle recente mensen. Toen zij de hof moesten verlaten, kwamen zij dus niet in een geheel onbewoonde wereld. Deze redenering verklaart waarom Kaïn

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's

1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 210

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's