1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 329
DISCUSSIE
257
zijn HIJ meent echter, dat het door hem aangegeven schema van scheiding tussen beider werkzaamheden gehandhaafd dient te blijven en dat de arts zich slechts bij zeer hoge uitzondering zielzorger lijk werk zal moeten doen De heer Engel vraagt naar de mogelijkheid van een anthropologie, en welke aspecten dit zou kunnen openen Spreker antwooidt, dat collega Buma aan het einde van zijn boek „De huisarts en zijn patient" de opmerking heeft gemaakt, dat de natuurwetenschappelijke geneeskunde haar grootste bloei heeft gekend en dat WIJ aan het begin staan van een nieuwe aera m de medische wetenschap, namelijk die van de anthropologische geneeskunde en geneeskunst Spreker meent, dat de christen-arts m het bijzonder geïnteresseerd is in deze komende anthropologie, omdat het hem niet onverschillig kan laten of de mens gezien wordt als een biopsychische eenheid zonder meer, dan wel of de mens gezien wordt als het schepsel Gods, dat in een bijzondere verhouding tot Hem staat Welke invloed dit op het geneeskundig denken en handelen zal hebben is nog met te vermoeden De heer Van der Hoeven vraagt naar de problemen, welke zich in het bijzonder voor de christen-arts voordien bij de lobotomie, de castratie en de kunstmatige inseminatie De voorzitter wijst er op, dat de vragen van de heer Van der Hoeven meer liggen op het terrein van de medische ethiek, dan van het onderwerp, dat door de spreker is behandeld Hij zegt toe, dat deze problemen zo mogelijk op een komende sectie-vergadermg aan de orde zullen worden gesteld
IBoekhesprehing Wettelijke regeling van de Bedrijfsgezondheidszorg Rapport van de Comrmssie-Ausems. Uitg Centrum voor Staatkundige Vorming, 's-Gravenhage 1955 Prijs ƒ 1 25 Het bestuur van het R K Centrum voor Staatkundige Vorming heeft een Commissie ingesteld met de opdracht een met redenen omkleed antwoord te geven op de vraag, of een wettelijke regeling van bedrijfsgeneeskundige diensten wenselijk is, en zo ja, welke beginselen ten grondslag dienen te liggen aan en welke richtlijnen dienen te worden gevolgd bij zulk een regeling Op 31 Januari 1955 werd bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend een ontwerp van Wet tot aanvulling van de Veiligheidswet 1934 en de Stuwadoorswet met bepalingen omtrent p r a e ventieve gezondheidszorg in de bedrijven Dit was voor het bestuur aanleiding tot een uitbreiding van de opdracht der Commissie, n 1 mede haar zienswijze op bovengenoemd wetsontwerp te willen geven De korte inhoud van het rapport is als volgt Het eerste hoofdstuk geeft m enkele trekken de huidige stand van de bedrijfsgezondheidszorg en in het bijzonder van de bedrijfsgeneeskundige diensten In het tweede hoofdstuk worden deze gegevens critisch bezien, vooral tegen de achtergrond van de betekenis welke de gezondheid heeft in het leven van de mens, en van de eigen doelstelling van het bedryf. In het derde hoofdstuk vraagt de Commissie zich af, of er rechtsgronden en motieven zijn voor een wettelijke regeling van de bedrijfsgeneeskundige diensten Ten slotte geeft de Commissie m het vierde hoofdstuk haar zienswijze op het onderhavige wetsontwerp, daarbij constaterend dat de gedachten van de ontwerpers van deze wet in het algemeen m een andere richting gaan dan die van de commissie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's