1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 57
KUYPER OVER DE GENEESKUNST
37
mineren: Natura medicatrix. Deze opmerkelijke vis medicatrix naturae is van oudsher door alle grote artsen erkend. Paracelsus spreekt van den invi^endigen arts en den innerlijken apotheker. Hierbij nu moet de arts in zijn medisch optreden aansluiten. Dat is Gods macht in de natuur, die natuur is creatuur, zo is de arts eigenlijk een medewerker van God. Evenzo knoopt Kuyper aan bij de natura medicatrix. Hij, die in de Weiszer Hirsch bij Dresden, een natuurgeneeskundige inrichting, geleid door Lahmann, zoals hij hier getuigt: „levensverjonging en levensvernieuwing" vond, was een bewonderaar zowel van de natuurgeneeskunde als van de homoeopathic, welke laatste uit is op „herstel van de gezonde levenskracht door met uiterst fijn medicament de fijnste levensmotieven in ons in werking te brengen". Reeds eerder had hij herinnerd aan de wondverzorging door dieren, en „wie weet niet, hoe een wilde v/atervogel, bij hachelijke obstipatie, vaak toont de kunst van het afvoeren te verslaan?" „De arts is uit de nood van het natuurleven geboren"; het zij Kuyper toegestemd. En al schijnt de overgang van de „natura medicatrix" tot de uitspraak „alle medisch pogen komt op uit de natuur" wellicht te groot (omdat de arts als geestelijk wezen intervenieert), de geneeskunst als een gave Gods in zijn Gemene Gratie is een volkomen aanvaardbare figuur. Diegenen, die de geneeskunde onder de particuliere genade vatten en zeggen, „dat alle medische actie van Golgotha afstamt", stellen een theologische constructie, die verschillende consequenties inhoudt. Allereerst negeren ze een historische waarheid: de opkomst der geneeskunst overal, onzer Westerse geneeskunde in Griekenland; vervolgens ook een aspect der werkelijkheid: de hoogste ontwikkeling der geneeskunde buiten het Christelijk geloof en levensbesef. En tenslotte moet dan ook de vis medicatrix naturae onder deze particuliere Gratie vallen. Zo ver gaat Diemer, en met hem Schoep, wanneer deze. Diemer citerende, zegt: „in ieder afzonderlijk genezingsproces, hetzij van planten of dieren, hetzij van het menselijk lichaam of van de menselijke geest, openbaart zich de herscheppende genade. ledere genezing, hoe ook tot stand gekomen, getuigt van de realiteit van het herscheppende woord". Een biologische genezing, dus begrepen in de Schepping, wordt hier tot uiting, getuige van herschepping 20, 21). Deze gedachtengang, die er blijkbaar op uit is — tegen de grote Christelijke denkers in — een logisch-ideèle basis te construeren voor een Christelijke geneeskunde, gaat natuurlijk van een andere opvatting
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's