1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 149
EEN ARCHAEOLOGISCH-PALYNOLOGISCH ONDERZOEK
113
de oever de veenvorming ophield, maar meer naar het oosten toe de organogene afzettingen verder gingen. Hierdoor ontstond daar ter plaatse een aKvisseling van ten dele houtskoolhoudende laagjes en laagjes organisch materiaal. Het meertje werd dus steeds kleiner. Pas na de vondstenlaag is alles overdekt geworden met een zeer dik pakket stuifzand (in de Jonge Dryas-tijd)), waardoor het meertje als het ware geheel in de reeds oorspronkelijk aanwezig geweest zijnde heuvelrug werd opgenomen. De aaneengesloten detritus-gyttja-laag nu werd volgens het pollenanalytisch onderzoek afgezet in de Aller0d-tijd, terwijl een groot deel van de daarboven gelegen laagjes organogeen materiaal thuishoort in het laatste deel van de Allerod-tijd. De allerbovenste laagjes zijn evenwel afgezet in het begin van de Jonge Dryas-tijd. Zodoende is deze houtskool bevattende laag mot haar vertakkingen gedateerd, n.l. in het laatste deel van de Altered- en het allereerste begin van de Jonge Dryas-tijd. Onder de genoemde detritus-gyttja-laag kwamen zandige en leemhoudende afzettingen voor, waarin een laag zich echter duidelijk aftekende. Zij bevatte minder zand, terwijl op sommige plaatsen een vrij grote hoeveelheid organogeen materiaal voorkwam. Deze laag werd afgezet gedurende de B0lling-tijd. Uit dit profiel blijkt verder, dat de vervaardigers van de vuurstenen voorwerpen op een heuvelrug hebben gewoond, al is hij echter ook lager en smaller geweest dan de rug van thans. De helling van de gelaagde zanden onder en boven de vondstenlaag, het verloop van de vondstenlaag zelve, alsmede de afzetting van stuifzand aan de oostzijde van de heuvelrug duiden er op, dat aeolische en niveo-aeolische invloeden hun werking hebben doen gelden en wel door de overheersend uit het westen komende winden. In de laatste tijd is men op verschillende gronden geneigd aan te nemen, dat althans in het laatste deel van het Würm-glaciaal de (noord-)westelijke winden de overheersende zijn geweest. Wellicht wordt deze mening versterkt door de hierboven vermelde bevindingen. Op ongeveer 700 m van de plaats van het systematisch onderzoek bevond zich een grote zandgraverij. Zij was gelegen in de noordelijke helling van de heuvelrug. Ook daar werd de houtskoollaag ononderbroken over een afstand van een paar honderd meter teruggevonden. Zij vertoonde volkomen hetzelfde beeld. Op een bepaald punt dook de langzaam naar beneden lopende laag met een helling omlaag, om een eindje verder met een tegenovergestelde helling weer op te lopen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's