Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 86

2 minuten leestijd

62

J. W. BRUINS

erfelijkheid eigenlijk niet is gegeven, ofschoon een genetische overdracht natuurlijk wel zeer waarschijnlijk is. Vooral als men bedenkt, dat ook hier weer een systeemlijden aanwezig is, dat praktisch altijd wijst in de richting van een zieke erfelijke aanleg. Het stringente bewijs wordt echter geleverd, indien ook de kinderen het syndroom geheel of partieel op hun nageslacht overbrengen. Een van de belangrijkste steunpilaren voor het aantonen van de rol, die de erfelijkheid bij de mens speelt, is het onderzoek van meerlingen en met name van één-eiige tweelingen. Deze laatste hebben namelijk onmiskenbaar hetzelfde genoom, omdat zij als helften te beschouwen zijn van dezelfde kiem. Alle verschillen, die zich bij deze helften in de phaenogenese openbaren, kunnen op rekening van het milieu worden geboekt, terwijl de discordantiecijfers een maatstaf zijn voor de manifestatieschommelingen, die weer het gevolg zijn van peristatische invloeden. Concordantie pleit alleen voor erfelijkheid, indien het betreffende kenmerk milieustabiel is en helemaal, wanneer het bovendien een zeldzaam kernmerk is. En dat een discordantie ook wel bij één-eiige tweelingen kan voorkomen, moge ik U demonstreren aan enkele afbeeldingen van één-eiige tweelingen, die bij de geboorte of later een discordantie vertoonden, zonder dat in alle gevallen de oorzaak hiervan was aan te tonen. Zoals U bekend zal zijn, kan de eiigheid van tweelingen worden aangetoond, enerzijds door het onderzoek van de nageboorte, waarbij is komen vast te staan, dat alle monochoriale tweelingen één-eiig zijn en dat van alle dichoriale tweelingen 30 % één-eiig is (Voute) (11), anderzijds door de aantoning van een anthropologische gelijkheid of ongelijkheid, die kan worden vastgesteld na het eerste levensjaar, volgens de polysymptomatische methode van Siemens. Bovendien is vastgesteld, en ik moge, in verband met het onderwerp van hedenmiddag, dit met nadruk naar voren brengen, dat de splijting van de aanvankelijk als eenling aangelegde kiem niet altijd op hetzelfde moment plaats vindt. Zij varieert tussen de vierde en de veertiende dag na de bevruchting. Ook dit kan aan de eivliezen worden afgelezen. De frequentie van de late splijting is geringer dan die van de vroege en geeft meer ontogenetische afwijkingen te zien, met name wat betreft de meest ernstige afwijkingen (monstra). De discordantie neemt dus toe, naar mate de splijting op een later tijdstip heeft plaats gevonden. De sterkste vorm van een ontogenetische misvorming bij de mens

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's

1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 86

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's