Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 121

2 minuten leestijd

ABNORMALE ONTOGENESE VAN DE MENS

91

schildklier of bijnier van het moederdier en dat een geringe dysfunctie van deze klieren met interne secretie verantwoordelijk is voor het niet sluiten van het monddak. In dit geval zou het gespleten verhemelte, de hazenlip of welke stoornis dan ook in een geheel ander licht komen. Wanneer inderdaad een verlaagde schildklieractiviteit van de moeder tijdens de zwangerschap een hazenlip bij de zich ontwikkelende vrucht zou kunnen veroorzaken, dan zou men direct therapeutisch kunnen ingrijpen door de moeder een bepaalde dosis sehildklierpoeder te verstrekken. Op eenvoudige wijze zou dan misschien de hazenlip bij het kind voorkomen kunnen worden. In dit verband moeten de proeven van Steiniger (4) genoemd worden. Deze had in zijn laboratorium een muizenstam, waarbij in een zeer gering percentage hazenlip op erfelijke basis voorkwam. Spoot hij de dieren tijdens de zwangerschap in met een extract van de hypophysevoorkwab, dan nam het percentage hazenlip bij de jonge dieren zeer aanzienlijk toe. Soortgelijke proeven werden uitgevoerd door Fainstat en Fraser (5, 6). Deze hadden een muizenstam waarbij in geringe mate een gespleten verhemelte op erfelijke basis voorkwam. Door middel van injecties met cortisone bij de zwangere dieren slaagden ze er in bij een zeer hoog percentage van de jonge muizen een gespleten verhemelte te verkrijgen. In deze proeven komt duidelijk uit welk een belangrijke invloed exogene factoren op het optreden van „erfelijke" afwijkingen kunnen uitoefenen. De vraag die wij ons nu gesteld hebben is, of ook bij de mens exogene factoren, die door de medicus eventueel gemakkelijk therapeutisch beïnvloed zouden kunnen worden, een rol spelen bij het ontstaan van de zgn. „erfelijke" aangeboren afwijkingen. Bij de mens werd het optreden van aangeboren stoornissen door exogene factoren voor het eerst in 1941 beschreven door de Australische oogarts Gregg (7, 8). Het samengaan van ontwikkelingsstoornissen, zoals cataract, hartgebreken, doofstomheid, tandafwijkingen en microcephalie na het optreden van een rubeola-epidemie, vestigde er de aandacht op, dat veranderingen in het genenmateriaal misschien niet altijd als oorzaak van de aangeboren stoornissen gebrandmerkt mogen worden. Dank zij de nauwkeurige observatie van Gregg, die duidelijk aantoonde dat het rubeola virus verantwoordelijk gesteld kon worden voor het optreden van ontwikkelingsstoornissen, is nieuw licht gekomen in de aetiologie en heeft zich de experimentele embryologie en teratologie sterk ontwikkeld. Het is vooral Töndery (9,10,11,12) geweest, die de werking van het

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's

1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 121

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's