1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 264
202
RONDBLIK
wetenschapsbeoefening in een Christelijk milieu. Ook wees hij op de kosmische betekenis van Christus, die duidelijk blijkt uit Paulus' brief aan de Colossenzen: „in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en op de aarde zijn" (1 : 15) en van Hem wordt gezegd: „in wien al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn" (2 : 3). — Voorts stelde de spreker de missionaire taak der wetenschap in het licht. Hij ,,besloot met het stellen van eisen aan zo'n Christelijke wetenschap : Hij noemde o.m. de noodzaak van absolute eerlijkheid. Men behoeft dan juist niet op goedkope wijze een harmonie tussen wetenschap on geloof te forceren". Het door prof. dr K. J. Popma behandelde onderwerp was „Plaats en taak van de Christen-academicus", waarbij de spreker zijn hoofdthema „De Christelijke zin van het aardse leven" in drie punten uitwerkte, nl. het aardse leven wordt door Christus beheerst, door de Christen gekend en door het evangelie verlost. De discussie, die een openhartig en levendig karakter droeg en zeer veel belangrijke punten raakte, gaf op de Donderdagavond, waarop de beide eerste referaten, zoals gezegd, gezamenlijk besproken werden, aan. leiding tot een op zeer hoog peil staande gedachtenwisseling tussen Dooyeweerd en Brillenburg Wurth, die op de vergadering een groten indruk maakte, een hoogtepunt van de conferentie vormde en een zeer prettige herinnering zal achterlaten. Brillenburg Wurth gaf op zeer heldere, eerlijke en taktvolle wijze uiting aan bezwaren, die bij velen in meerdere of mindere mate tegen de wijsbegeerte der wetsidee vaak oprijzen, en Dooyeweerd deed in zijn antwoord in niets voor hem onder en verklaarde zijn theorieën in het minst niet onfeilbaar te achten, maar gaaime open te staan voor kritiek en daarmede zo veel mogelijk, ook in de toekomst rekening te willen houden en daaraan zijn beschouwingen te toetsen. Op één vraag uit de discussie wil ik hier nog wat nader ingaan. Op het eerste gezicht lijkt ze misschien wat naïef, maar bij nader inzien zal men toch moeten toegeven, dat ze de consequentie is van opvattingen, die in onze kringen wel vernomen worden en daardoor wordt ze misschien wel een reductio ad absurdum en is ze de overweging ten volle waard. Het is deze: ,,moeten de Christelijke wetenschapsbeoefenaars niet per se tot juister resultaten komen dan de niet-Christelijke?" Nu zal niemand wel willen beweren, dat b.v. de schema's voor de energie-niveau's van atoomkernen, die in het natuurkundig laboratorium van de Vrije Universiteit opgesteld worden, alleen maar dank zij hun herkomst Juister zouden zijn dan die van andere instituten. In dit opzicht lijkt mij Dooyeweerd's inzicht t.o.v. ,,Christelijke natuurkunde" ad rem. — Maar juist als we wetenschap dieper willen opvatten, doet zich hier een grote moeilijkheid voor, waarover ik vroeger in dit tijdschrift eens schreef (jg. 1947, blz. 94). Voorzover ik zien kan heeft de relativiteitstheorie van Einstein voor haar ontstaan veel te danken aan de positivistische wijsbegeerte. Men k a n zich haast niet voorstellen hoe de openheid voor nieuwe inzichten t.o.v. de (laat ik voorzichtigheidshalve zeggen) natuurkundige ruimte en natuurkundige tijd mogelijk geweest zou zijn, indien
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's