Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 99

2 minuten leestijd

HENDRIK WILLEM BAKHUIS ROOZEBOOM (1854—1907)

73

1881 ö). Wel vervi'achtte hij, dat een wis- en natuurkundige faculteit het allerlaatst opgericht zou worden, maar hij wilde Kuyper zijn belangstelling tonen en hem in kennis stellen van „een zijner beste wenschen: een plaats te vinden aan een inrichting van christelijk onderwijs, Hooger of Middelbaar". Helaas weten we niet wat Kuyper op 10 Mei 1881 aan hem terug schreef! In zijn Amsterdamse jaren kwam hij toch nog in officiële relatie tot de Vrije Universiteit te staan als lid van de Commissie van Toezicht op het Bijzondere Hoger Onderwijs. In 1904, bij de rectoraatsoverdracht aan de Gemeentelijke Universiteit, betreurt Roozeboom het, dat bij een groot deel der natie nog de ernstige wil schijnt te ontbreken om het goed recht van het christelijk hoger ondervï'ijs te erkennen. Hij maakt dan onderscheid tussen het „principiële" en het „indifferente" stelsel op het gebied van hoger onderwijs en hij vraagt hun gelijkstelling in brede geest. „Maar breedheid van geest behoort helaas vooralsnog niet tot de kenmerkende eigenschappen van onze kleine natie". Deze uitlatingen veroorzaakten enige deining in de pers; hij Vi'crd o.a. aangevallen door prof. R. C. Boer, die zeide dat de tegenstelling niet is tussen „principieel" en „indifferent", maar tussen ,,dogmatisch gebonden wetenschap enerzijds en wetenschap op vrij onderzoek berustend anderzijds". Roozeboom heeft hierop niet geantwoord; in een brief aan prof. Cohen (28 Sept. 1904) schrijft hij, dat deze kritiek hem helaas bevestigd heeft in zijn overtuiging „dat zelfs mannen van beteekenis breedheid van inzicht missen". We kunnen iets van het liberale misverstand begrijpen, omdat ook christenen dikwijls meenden, dat beoefening der natuurwetenschap door christenen inhield de onderwerping aan een bepaalde theologie of philosophic. Maar Bakhuis Roozeboom stond iets anders voor ogen. Blijvend in de grote traditie van het protestantse natuuronderzoek, verstond hij er onder: een vrij onderzoek van de natuur, dat zijn vrijheid juist ontleent aan het gebonden-zijn door het geloof in Gods openbaring. Niet alle christenen konden dat begrijpen, laat staan alle liberalen; er waren ook daaronder velen die van echte liberaliteit geen besef hadden. Roozeboom echter zag scherp in, dat de mens zich onmogelijk los kan maken van zijn wereldbeschouwing en dat het resultaat van het wetenschappelijk onderzoek daarin gepast wordt bij christenen zowel als niet-christenen. In 1895 besloten Bakhuis Roozeboom en de artsen Hermanides, den 8) Kuyper-Archief no. 2289.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's

1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 99

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's