1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 281
BESCHOUWINGEN OVER GENESIS 1
215
duurden. Op deze wijze poogde men ruimte te vinden voor de grote getallen, waarvan de natuurwetenschap spreekt. Onder deze groep valt ook de „interperiodistische theorie". Tussen de „dagen" van Gen. 1 zouden perioden, waarschijnlijk perioden van millioenen jaren, moeten gedacht worden. De gang van zaken was dus deze: God verrichtte een scheppingswerk; daarna had er een langdurige ontwikkeling plaats; op een bepaald ogenblik greep God weer in door een nieuw scheppingswerk. De lange perioden van ontwikkeling worden in Gen. 1 overgeslagen; vermeld worden alleen de scheppingsdaden. Een tijdlang waren dergelijke theorieën zeer in trek. Maar ze hebben veel van hun populariteit verloren. Daarvoor zijn twee oorzaken aan te wijzen. Vooreerst staan ze exegetisch gezien uitgesproken zwak. En voorts: de concordia, die men tot stand wilde brengen, bleek veel onvolkomener dan men zich aanvankelijk had voorgesteld. IV. Tenslotte zijn er dan, die oordelen: als de auteur van Gen. 1 spreekt van zes, zeven dagen, bedoelt hij dat als een inkleding. Ook deze mening is onder verschillende namen en in verschillende vormen verdedigd. In het onderstaande wordt een lans gebroken voor een bepaalde vorm van deze mening, voor wat genoemd kan worden de „kaderopvatting". Deze opvatting is o.a. voorgedragen door Noordtzij, a.w., pag. 111 vv. 3. Als ik van de „kader-opvatting" spreek, bedoel ik het volgende. De geïnspireerde schrijver geeft ons in Gen. 1 een verhaal van de schepping. Hij bedoelt echter niet een exact verslag te geven van wat bij de schepping is gebeurd. Door van een achtvoudig werken Gods te verhalen, brengt hij de lezer er van onder de indruk, dat al het bestaande door God geschapen is. Dit achtvoudige werken Gods zet hij in een kader, een schema: hij verdeelt het over zes dagen, waaraan dan een zevende dag als rustdag wordt toegevoegd. Daardoor brengt hij tot uitdrukking, dat het scheppingswerk volkomen is, en dat God aan het slot van zijn werk rusten kan, zich verlustigen kan in het resultaat. De verdeling over de zes dagen is niet willekeurig, maar wel kunstmatig. Om dit door een voorbeeld toe te lichten: de auteur verbindt de schepping van het licht aan de eerste dag, de schepping van de lichtdragers aan de vierde dag. Dit is niet willekeurig, het heeft een bepaalde betekenis; maar de auteur bedoelt daarmee niet te zeggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's