1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 145
I EEN ARCHAEOLOGISCH-PALYNOLOGISCH ONDERZOEK
111
hoog rezen. Een van deze schiereilanden wordt ook nTi nog gevormd door een tamelijk hoge, brede, langgerekte, noord-zuid gelegen en met heide en dennen begroeide heuvelrug, die deel uitmaakt van een dekzandgebied. Deze rug is ongeveer 800 m lang en stijgt in de zo even genoemde richting van 34.40 tot 35.00 m boven N.A.P. Vanuit het lage gebied in het vs^esten loopt de rug in oostelijke richting zeer langzaam omhoog, om aan de oostkant met een meer of minder tamelijk steile helling in het eveneens weer laag gelegen terrein af te dalen. Hij vertoont alzo uiterlijk een beeld, dat blijkbaar tot stand is gekomen onder aeolische invloeden en wel door de uit het westen komende winden. Tegen de oostkant van het zuidelijk gedeelte van deze heuvelrug, onmiddellijk naast de plaats van het onderzoek, bevindt zich een min of meer segmentvormige, dichtgegroeide ,,kom", die zich blijkens het onderzoek wat meer naar het westen heeft uitgestrekt, d.i. gedeeltelijk onder de heuvelrug, zoals hij zich thans aan ons oog voordoet. De heuvelrug moet oorspronkelijk langs een afgesneden beekarm hebben gelegen, waarin afzetting van meersedimenten heeft plaatsgevonden. Het zijn de heer en mevrouw G. C. M. Ballintijn-Wijger geweest, die in de maand Juni van 1937 dicht bij het hoogste punt van bovengenoemde hoogterug, d.i. op de zuidelijke top, in een door de wind diep uitgestoven kuil een groot aantal bewerkte en onbewerkte vuurstenen voorwerpen hebben gevonden. Bij hun verder naspeuren ter plaatse hebben zij kunnen constateren, dat gelijksoortige objecten in een bepaalde laag waren gelegen. Het eerste onderzoek vond in 1940 plaats en werd vanwege het succes in 1941, 1946 en 1949 voortgezet. Het bleek nu, dat op enige diepte beneden het tegenwoordige landoppervlak een laag voorkwam van 0.10—0.15 m. dikte, gekenmerkt door haar witte kleur en door nu eens opeenhopingen van, dan weer door meer verspreid liggende grote en kleine brokjes houtskool. Door deze beide kenmerken was deze laag dan ook onmiddellijk te onderscheiden van de daarboven en daarbeneden gelegen zanden. (Afb. 1). Oorspronkelijk hebben we gemeend, dat de witte zandlaag en de houtskool, die hoofdzakelijk van Pinus en slechts sporadisch van Betuia afkomstig bleek te zijn, causaal met elkaar in verband hebben gestaan en wel in die zin, dat de laatste reducerend heeft gewerkt. Maar dit bleek niet het geval te zijn. Want we hebben niet alleen bij Usselo, maar later ook op vele andere vindplaatsen in ons land en daarbuiten de bewuste laag dikwijls over vele meters als een witte
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's