1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 289
BESCHOUWINGEN OVER GENESIS 1
223
voort jong groen, gewas, dat zaad geeft, naar zijn aard, en bomen, die vruchten geven, waarin zaad is, naar hun aard". In vs 20—25 wordt m.m. iets soortgelijks van de dieren meegedeeld. Nu behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat we bij dat „naar zijn aard" niet aan één of ander modem soortbegrip mogen denken. Het zal ook wel moeilijk zijn iemand te vinden, die dat zou willen beweren. Maar wel is en wordt dikwijls uit deze uitspraken afgeleid, dat er een oorspronkelijke, rechtstreeks door God geschapen variatie-rijkdom in de plantenwereld en in de dierenwereld was. Natuurlijk zou dit een zeer belangrijk gegeven zijn, waarmee de natuurwetenschap rekening zou moeten houden. Maar bij de in deze voordracht verdedigde wijze van exegetiseren mag deze conclusie niet worden getrokken. De auteur heeft er ongetwijfeld zijn bedoeling mee gehad, dat hij telkens en telkens weer spreekt van het „naar zijn aard", „naar hun aard". Hij heeft er b.v. mee willen zeggen, dat God een God van orde is. Maar evenmin als elders in dit hoofdstuk heeft hij in deze uitdrukkingen willen aangeven, hoe natuurwetenschappelijk gezien de gang van zaken is geweest. Men heeft de vinger gelegd bij de uitdrukking „de aarde bracht voort" (zie vs 11 v., 24) en gezegd: Gen. 1 leert ons niet, dat God planten en dieren als stukken op het schaakbord heeft neergezet, maar doet ons veel meer denken in deze richting, dat God bij het scheppen van planten en dieren gebruik gemaakt heeft van reeds aanwezig „materiaal". Deze redenering heeft uiteraard een tendens, die veelszins tegengesteld is aan die van de in de vorige alinea gememoreerde redenering. Maar ze heeft met laatstgenoemde redenering feitelijk gemeen de wijze, waarop de uitspraken van Gen. 1 gebruikt worden. En daarom moet ze m.i. op dezelfde grond worden afgewezen. b. Het gezegde betekent geenszins, dat Gen. 1 niets voor de natuui^wetenschap te zeggen zou hebben. Het tegengestelde is het geval. Gen. 1 openbaart, dat God Schepper is van alle dingen, roept ons daardoor op, alle pantheïsme, materialisme enz. af te wijzen; en dat heeft grote betekenis ook voor de natuurwetenschap. Niet zonder reden is gezegd: de moderne ontwikkeling van de natuurwetenschappen zou niet mogelijk geweest zijn, als de geesten niet eerst bevrijd waren uit de ban van de vergoddelijkte natuur; tot die bevrijding heeft Gen. 1 zijn uiterst waardevolle bijdrage geleverd. Hierbij sluit zich goed aan een tweede opmerking. In Gen. 1 : 26 vv., trouwens feitelijk in heel dit hoofdstuk, treedt naar voren de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's