1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 157
EEN ARCHAEOLOGISCH-PALYNOLOGISCH ONDERZOEK
119
stenen voorwerpen uit het ruwe materiaal vanzelf doen ontstaan. Deze werkkuilen bevonden zich gelukkigerwijze juist ook daar, waar de profielen waren blijven staan. Zodoende hebben we, herhaaldelijk kunnen vaststellen, dat deze werkkuilen als het ware aan de vondstenlaag hingen, of juister gezegd daarvan uitgingen. Hieruit volgt, dat deze werkkuilen met de daarin gevonden artefacten en de houtskool bevattende laag van dezelfde ouderdom zijn. Zodoende is de tijd van de bewoning van het oude woonvlak vastgelegd, d.w.z. ze nam een aanvang in het laatst van de Aller0d-tijd en ging, al of niet met onderbrekingen, door tot in het allereerste begin van de Jonge Dryas-tijd. Hebben deze mensen in de open lucht gewerkt, of hebben zij in tenten of iets dergelijks gewoond? Indien het laatste het geval is geweest, staat dan ook het zitten met het gezicht naar het westen in verband met de opening van de tent? We hebben enkele sporen gevonden, die er op wijzen, dat deze mensen inderdaad in een overdekte woonruimte hebben gewerkt. Want links en rechts van één der kuilen zagen we zowel in het profiel, dat juist door deze werkplaats liqp als in het loodrecht daarop staande profiel, een tweetal van de houtskoollaag uitgaande paalgaten, die in de richting van het atelier convergeerden. Deze stand wijst op tentpalen. Uit de afstand van deze beide paalgaten tot het hart van het atelier zouden we kunnen opmaken, dat de doorsnede van de tent 2.50 tot 3.00 m heeft bedragen. In verband met de ligging van de vondsten in de werkkuilen moet de opening van de tent wel naar het westen zijn gelegen. Het laatste zal wel primair zijn. Omdat de tenten met de opening naar het westen hebben gelegen, daarom komen juist in het meest westelijk deel van de werkplaatsen de vondsten voor. De tentbedekking, die wel bestaan zal hebben uit dierenhuiden, is dus gespannen geweest over een aantal kegelvormig geplaatste tentpalen, die boven aan elkaar verbonden zijn geweest. Het is een vorm, die tegenwoordig nog bij verschillende volksstammen in zwang is. Het gebruik van een tent als een transportabel onderkomen weerspiegelt in grote trekken de beweeglijke, door jacht bepaalde levensgewoonte van deze jongpalaeolithische bewoners van deze streek. Deze oude mens was ondergeschikt aan en afhankelijk van de hem omringende buitenwereld. In hart en nieren jager en visser was hij een echte zwerver, vandaag hier, morgen elders vertoevend en levend van wat de natuur, zowel het planten- als het dierenrijk, hem verschafte. Want noch akkerbouw, noch huisdieren konden in zijn levensonderhoud voorzien, aangezien deze dingen hem nog onbekend
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's