Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 201

2 minuten leestijd

DE OORSPRONG VAN DE MENS

147

ijstijd a.h.w. een explosieve ontwikkeling van de menselijke cultuur heeft plaats gevonden. Men kent typisch gevormde stenen messen, ivoren priemen, speerspitsen van steen en gewei, harpoenen, naalden met een oog, gegraveerd benen naaldenkokers met de naalden er soms nog in, lampen, vork-achtige werktuigen, maar ook b.v. uit been vervaardigde één- en meertonige fluiten. Hiernaast armbanden, ringen en hoofdversierselen van schelpen, fraaie stenen, doorboorde slakkenhuizen en tanden, van barnsteen, en hoorn. Interessant is, dat deze voorwerpen vaak gehaald moeten zijn van plaatsen die soms duizenden kilometers van de vindplaats liggen, zodat wij moeten aannemen dat deze mensen reeds over grote afstanden handel dreven en reisden. Men kent van hen grote kampementen, met hutten en opslagplaatsen 1). Het zal verder ieder bekend zijn dat de ijstijdmens ook been en ivoor kunstig graveerde en bovendien vele tekeningen en olieverfschilderijen in de grotten maakte. Daarnaast zijn tientallen beeldjes, voornamelijk van vrouwen, maar ook van mannen, en dieren gevonden 2). Wanneer wij deze cultuurphasen zien, komen wij onder de indruk van de enorme ontwikkeling die het technisch kunnen van de mens gedurende het Pleistoceen, en met name tijdens de laatste ijstijd, heeft doorgemaakt. Men heeft dit wel beschouwd als een bewijs van een evolutie van de geest. Aanvankelijk was de mens met zijn rolsteenwerktuigen maar weinig meer dan een dier en zo geleidelijk aan, samengaand met een toeneming van het hersenvolumen, heeft de geest zich ontwikkeld. Indien wij echter bedenken dat wij onze voorouders van 150 jaren geleden, die geen radio's, vliegtuigen of spoorwegen maakten, daarom nog niet als minder intelligent kunnen beschouwen, dan zien wij dat de culturele ontwikkeling van de mens van een geheel andere aard is dan een biotische evolutie. We hebben hier te maken met een historische ontplooiing, berustend op ontdekkingen en traditie. Het is dus niet ondenkbaar, maar zelfs waarschijnlijk, dat de vroegPleistocene mens voor ons in intelligentie niet onderdeed.

1) Andrews, Apen, schedels en mensen, Rotterdam, 1952, p. 172 ev. ^) Maringer and Bandi, Art in the ice age, London—Basel, 1953.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's

1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 201

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's