1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 146
112
C. C. W. J. HIJSZELER
zandlaag kunnen vervolgen, zonder een spoor van houtskool en daarna wel weer met sporen daarvan (zie onder). Bovendien vertoonde deze laag overal nog een andere merkwaardigheid. Van haar uitgaande liepen wormvormige uitstulpingen zowel naar boven als naar beneden, die niet naar (in) de laag terug keerden. Ook lagen zij wel geheel of gedeeltelijk in de laag zelve besloten. De uitstulpingen naar boven wijzen er op, dat zij daar zijn gevormd, nadat deze laag is afgedekt door stuifzand (in de Jonge Dryas-tijd). Zij zijn dus secundair. Maar zij geven haar toch een onmiskenbaar karakter. In deze laag nu bevonden zich talrijke vuurstenen voorwerpen: ruw materiaal, nuclei, artefacten, afval enz. Gedurende de bovengenoemde jaren is door deze N.-Z. gelegen heuvelrug een dwarscoupe van circa 125 m lengte gemaakt, die ongeveer door het uiteinde van de reeds bovenvermelde volgegroeide „kom" liep. Dit profiel liet zien, dat de witte met houtskooldeeltjes doorspekte laag (het oude woonvlak) op een bepaald punt in de westelijke helling uitvvigt en van het westen naar het oosten nagenoeg parallel loopt met het tegenwoordige landoppervlak. Ook zij daalde in het oosten met een meer of minder steile helling naar beneden. Op deze helling vonden we, e.venals bij andere O.-W. lopende profielen, een pakketje van over elkaar gewaaide houtskooldeeitjes en zand, afkomstig van de laag zelf. Aan de voet van de helling kwam de bewuste laag tegen en op een laag detritus-gyttja te liggen. (Afb. 2). Deze laatste lag circa 0.55—2.75 m beneden het tegenwoordige landoppervlak. Zij strekte zich uit over een afstand van ongeveer 33 m, was circa 0.35 m dik en daarbij zandvrij. Ongeveer 1 m vanaf het aanrakingspunt met de vondstenlaag bleek deze detritus-gyttja-laag over een lengte van ruim 18 m cryoturbaat te zijn. (Afb. 3). In het uiterst oostelijk deel van ditzelfde profiel kwamen organogene door laagjes zand gescheiden meerafzettingen voor, die schubsgewijs boven elkaar waren gelegen en zich zodoende als het ware „terugtrokken" naar het oosten. Na het aanrakingspunt met de detritus-gyttja-laag lag de vondstenlaag over een lengte van circa 1 m onmiddellijk er op, liep daarna wat omhoog, om op circa 20 m vanaf het aanrakingspunt zich in tweeën te splitsen. Deze vertakkingen waren dan verder te vervolgen in de zandlaagjes tussen de zo even genoemde organogene meerafzettingen. Uit deze feiten kunnen we de conclusie trekken, dat vóór- en tijdens de bewoning van de heuvelrug enige verstuivingen hebben plaatsgevonden in oostelijke richting (aeolisch), waardoor dicht langs
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's