1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 78
54
J. W. BRUINS
secundaire hormonale beïnvloeding. Dit alles staat nu ook in direct verband met het onderwerp van hedenmiddag, voorzover het de gestoorde morphogenese bij de mens betreft. Alvorens hierop verder in te gaan moeten wij bekennen, dat de kennis van de erfelijkheid bij de mens enige ronden achter ligt bij de genetica, de wetenschap der erfelijke overdracht bij lagere organismen. En wel om verschillende redenen, In de eerste plaats ontbreekt ons de mogelijkheid van het experiment, van de geprovoceerde kruising, van gewilde inteelt en selectie. In de tweede plaats bereikt de mens, vergeleken bij de meeste dieren, een hoge leeftijd, wat een nadeel is voor het genetisch onderzoek. Daardoor volgen de geslachten elkaar niet snel genoeg op, terwijl de onderzoeker niet, uitzonderlijk als een Methusalem, duizend jaar oud wordt. Een observatie van de gehele phaenogenese van een organisme is noodzakelijk, wil men een indruk krijgen van de potenties van het genoom. Bovendien heeft men te bedenken, dat de progenituur van de individuele mens veel te klein is, waardoor veel van de erfelijkheidsstructuur zich niet aan ons openbaart, Eén ouderpaar met b,v. honderd kinderen zou voor ons ideaal zijn. In plaats nu van het ene ouderpaar met honderd kinderen, moeten wij ons behelpen met vijf en twintig ouderparen, die ieder vier kinderen hebben voortgebracht. Gaan wij b.v, uit van één bepaald uiterlijk stigma bij de ouders en willen wij nagaan met welk percentage dit kenmerk bij de kinderen is gepenetreerd, dan is het grote gezin zeer waardevol. Willen wij nu toch aan onze trek van b.v, honderd kinderen komen (in de statistiek moeten we nu eenmaal met grote getallen werken), dan moeten wij uitgaan van 25 ouderparen, die alle hetzelfde phaenotypische kenmerk hebben, een kenmerk, waarvan wij veronderstellen, dat er eenzelfde allel(en) aan ten grondslag ligt. Het is om deze reden, dat wij in de anthropogenetica moeten uitgaan van scherp gemarkeerde uiterlijke kenmerken, zogenaamde radicalen, willen wij niet werken met een heterogeen, genotypisch ongelijksoortig materiaal 3).
3) Dit is ook de reden, dat buiten het terrein van de morphologische kenmerken met grote voorzichtigheid moet worden gegraven naar de structuur van het ten grondslag liggende genoom. En met name geldt dit voor de psychische beelden en psycho-pathologische syndromen, waarvoor nog geen physisch substraat is gevonden. Voor deze gebieden kan het erfelijkheidsonderzoek wèl prognostische waarde hebben, doch deze bezigheid mist dan de zuiverheid van de wetenschappelijke inductie (zie ook (3) <). *) De tussen ( ) geplaatste cijfers verwijzen naar de literatuur achter het artikel opgenomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's