1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 205
DE OORSPRONG VAN DE MENS
151
deze kast opende, bleken er zeven gave schedels en enkele pijpbeenderen van holenberen netjes in opgestapeld te zijn. Ook verder waren er in deze grot merkwaardig opgestapelde beenderen aanwezig. Allerlei speculaties over de betekenis van de wonderlijke inhoud van dit oudste bekende menselijke bouwwerk, daterend van misschien wel 150.000 jaren geleden, zijn ontworpen. Men heeft geopperd dat men hier met een voedselopslagplaats te maken heeft, maar het aantal der schedels is te klein dan dit zin kan hebben. Men heeft ook gemeend dat de schedels bewaard werden om de hersenen, die een goede looistof vormen, maar men is naderhand tot de conclusie gekomen dat de looikracht van hersenen pas na de laatste ijstijd is ontdekt. Tegenwoordig staan twee meningen ter verklaring tegenover elkander. D e eerste is van de Zwitser Meuli ^). Deze meent dat w e hier te maken h e b b e n met rituele dierbegrafenissen. Hij fundeert zijn mening op de waarneming, dat nog bij recente natuurrolken de jager en de herder zich zeer nauw met de dieren verbonden voelen. Wijd verbreid is het geloof, dat mens en dier oorspronkelijk in vrede naast elkander leefden. Daarna is de mens het dier gaan doden en om d e verhouding ondanks dat goed te houden, verricht de mens verschillende handelingen. D e schuld van het doden van het dier dient verzoend te worden. Daarom worden enkele delen van het skelet van het dier, die dus nog steeds het dier zijn, op een b e p a a l d e plaats neergezet. D e zin van deze handelingen is het dier datgene terug te geven w a t het voor het weer in het leven terugkeren nodig heeft. Uit enkele beenderen, een rib, d e schedel, d e pijpbeenderen, kan het dier weer opgebouwd worden. Dit verzekert de toekomstige jacht. D e jager heeft de schuld verzoend, het dier is tevreden gesteld. Tegenover deze opvatting staat een tweede, die deze berenschcdelvondsten beschouwt als offers. Deze opvatting wordt allereerst door de Duitser Schmidt 2), maar tegenwoordig o.a. ook door Koppers ^) en Kühn *) gehuldigd. Men is ook tot deze conclusie gekomen op grond van ethnologische waarnemingen. H e t is n.l. gebleken dat dezelfde gewoonte van het opstellen van beren- en rendierschedels en -pijpbeenderen nog tegenwoordig voorkomt bij Arctisch-Amerikaanse Eskimo-stammen. H e t blijkt hier t e zijn een offer voor de Godheid, en wel een offer van de eerstelingen van de jacht, het „Primitial1) -) ^) 4)
Zie Bachler, 1947, a.b., p. 149 e.v. Bv. Schmidt, Die Urkulturen, Hisloria Mundi I, p. 375—501, 1952. Koppers, Der Urmcnsch und sein Weltbild, Wien, 1949. Kühn, a.b., p. 166 e.v.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's