1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 186
138
J. LEVER
in sterke mate, zijn vele onderzoekers tot de conclusie gekomen, dat juist de oudste neanderthaloïde exemplaren die men kent (Steinheim, Karmel i) ) opvallend veel sapiens-achtige eigenschappen bezitten. Men kan deze interessante vondsten op verschillende manieren bezien (zie fig. 2), b.v. óf deze hebben betrekking op kruisingen tussen Homo sapiens en Homo neanderthalensis, óf Homo neanderthalensis is uit Homo sapiens voortgekomen, óf deze resten staan op het splitsingsp u n t van beide vormen. Welke van de meningen men ook voorstaat, allen impliceren dat de directe sapiens-\i]w minstens even oud is als Homo neanderthalensis. W a n n e e r het dan bovendien juist is dat verscheidene onderzoekers d e mengschedels van Steinheim in het Rissglaciaal ~) of in het tweede interglaciaal ^) plaatsen, dan kan men concluderen dat de sapiens-lijn reeds teruggaat tot meer dan 200.000 jaren geleden. Dit is op zichzelf reeds een belangrijke conclusie. Van nog grotere betekenis kan echter zijn dat g e d u r e n d e d e laatste halve e e u w verscheiden vondsten van sapiens-achtige schedels zijn gedaan, die door vele auteurs als nog ouder worden beschouwd. Dit betreft b.v. schedelfragmenten van Swanscombe (Engeland), Fontéchevade en Dénise (Frankrijk), Kanam en Kanjera (Afrika) (zie fig. 2). 'In dezelfde serie van mysterieuze vormen heeft ook de Piltdown-mens gestaan, die, zoals enkele jai-en geleden bleek, een vervalsing was). Wanneer het juist is dat men Dénise, Swanscombe en Kanjera wel in het tweede interglaciaal, en Kanam zelfs in het eerste interglaciaal of in het Günzglaciaal plaatst, dan zou dit als merkwaardige consequentie hebben, dat de vertegenwoordigers van de sapiens-gioep minstens tijdgenoten van Sinanthropus en Pithecanthropus zijn geweest, maar misschien zelfs wel eerder dan deze leefden. Dit zou tevens inhouden dat niet Homo sapiens van Sinanthropus en Pithecanthropus afstamt, maar dat, indien er van een genetische relatie sprake is geweest, de laatsten wellicht nazaten van Homo sapiens waren. D e z e interessante gedachten, die b.v. in d e Zwitser Kalin 4) een kundig verdediger vinden, zijn door een hypothetische constructie 5) Boule et Vallois, Les Hommes fossiles, Paris, 1952, 4e ed., p. 175 e.v.; p. 392 e.v. -) Weinert, Stammesentwicklung der Menschheit, Braunschweig, 1951, p. 147. •') Kalm, Experientia, 3, p. 285, 1946. 4) Kalin, 1946, a.b.; Die altesten Menschenreste und ihre stammesgeschichtliche Deutung, Historia Mundi I, p. 79 e.v., 1952. Zie ook Cole, The prehistory of East Africa, London, 1954, p. 80.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's