1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 188
140
J. LEVER
cus blacki i). De kiezen hebben een kroon-oppervlak dat meer dan 3 maal zo groot is als dat van onze kiezen. Weidenreich heeft op grond van de grootte van de kiezen berekend, dat de onderkaak van deze wezens 18 cm lang, 5,5 cm hoog en bijna 3,5 cm dik moet zijn geweest. De grootte van dit mensachtig wezen moet, indien het op dezelfde wijze geproportioneerd was als wij, pl.m. 4,5 m bedragen hebben, het gewicht is dan rustig op 400—600 kg te stellen. Ook in Oost-Afrika is in 1939 een groot bovenkaaksfragment gevonden, door Weinert Meganthropus africanus genoemd '^). Al deze vondsten behoren tot het Midden- of het Onder-Pleistoceen en zijn dus zeer oud. Toen Weidenrech deze vondsten overzag, herinnerde hij zich dat P. robustus, welke ouder is dan P. erectus, ook zwaar gebouwd was. Dit wees er volgens hem op, dat hoe ouder de vondsten, hoe groter de mensachtigen gebouwd waren. Zodoende kwam hij er toe een stamboom op te stellen: Gigantopithecus, Meganthropus, P. robustus, P. erectus, enz., in welke volgorde de lichaamsgrootte steeds afnam s). Volgens Weidenreich stamt de mensheid dus van reuzen af. Door von Koenigswald 4) is afdoende bewezen dat Gigantopithecus door Weidenreich ten onrechte in deze reeks werd opgenomen: in de eerste plaats zijn zijn kiezen veel te gespecialiseerd dan dat de mens van dit wezen zou kunnen afstammen, maar vervolgens moet op geologische en palaeontologische gronden aangenomen worden dat Gigantopithecus een tijdgenoot van Sinanthnopus was (zie fig. 2) en dus zeker niet aan het begin van de reeks geplaatst kan worden. Voor het overige is ook von Koenigswald van mening dat de oudste mensachtige vormen reuzen waren. Wij hebben in het voorgaande herhaalde malen kiezen, kaken en schedels met de term „mensachtig" aangeduid. Er zijn dan ook anatomische skelet-kenmerken, waarin de mens duidelijk van de recente mensapen verschilt 5). Enkele hiervan zullen wij kort bezien : 1. Allereerst vormen de kaakbogen bij de mens een wijde gelijkmatig divergerende boog (zie fig. 7), terwijl bij de mensapen de kiezen 1)
Von Koenigswald, Anthr. Papers Amer. Mus. Nat. Hist., 43, p. 295— 325, 1952. 2) Weinert, 1951, a.b., p. 101 e.v. 3) Weidenreich, a.b., 1948; Studies in Phys. Anthr., 1, p. 149—157, 1949. ") Von Koenigswald, 1952, a.b. ") Het is interessant te vergelijken hoe verschillend men de overeenkomsten en tegenstellingen in lichaamsbouw tussen mensen en mensapen waardeert, vgl. b.v. Weinert, Ursprung der Menschheit, Stuttgart, 1944, met Schulz, Cold Spring Harbor Symposia on Quant. BioL, 15, 1950, p. 37—53, en Weidenreich, Apes etc., 1948, a.b., p. 5 e.v.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's