1955 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 191
DE OORSPRONG VAN DE MENS
141
in vrijwel parallele rijen staan, met bij de hoektanden een geprononceerde buiging. 2. In de tweede plaats zijn de menselijke hoektanden nimmer slagtanden: zij steken niet of vrijwel niet buiten de gebitsrij uit (zie fig. 8). 3. Ten derde is bij de mens de eerste onderste prae-molaar nimmer in het bezit van een scherp lemmet, zoals dat bij de mensapen voorkomt, waar dit een schaar vormt met de bovenhoektand (zie fig. 8). 4. Een vierde complex van kenmerken heeft betrekking op de voor de mens typische rechtopgaandc stand. Deze heeft n.l. o.a. belangrijke consequenties voor de bouw van het bekken en voor de t.o.v. de mensapen meer naar voren verschoven ligging van het achterhoofdsgat. Dit viertal menselijke eigenschappen tezamen met verscheidene andere is nu bij alle reeds besproken vormen teruggevonden. Vandaar dat zij met de term „mensachtig" werden aangeduid. Met name na de laatste wereldoorlog zijn echter in Zuid-Afrika vondsten gedaan waardoor deze kenmerken hun waarde als criteria voor het mens-zijn in belangrijke mate hebben verloren. Deze betreffen de z.g. Australopithecinae (zie fig. 9). Deze wezens hadden een herseninhoud welke door de meeste auteurs tussen de 450 en 800 cc. wordt geschat i). Dat wil zeggen dat zij minder dan de helft van onze herseninhoud hadden en dus wat dit kenmerk betreft in de orde van grootte van de recente mensapen vallen (Gorilla maximaal 685 cc). De kaken zijn zwaar van bouw, de kiezen zijn fors. Naast deze en andere mensaapachtige trekken vertonen deze Australopithecinae een verbluffend aantal mensachtige trekken. Zo zijn bij de meesten {Parantlimpus crassidens uitgezonderd) de spierkammen op de schedel veel minder ontwikkeld dan bij de recente mensapen, het voorhoofd is gewelfd, de wenkbrauwwallen vormen geen platform boven de ogen, het achterhoofdsgat ligt vrij ver naar voren in de schedelbasis, het achterhoofd doet mensachtig aan. Het gebit is wel bijzonder menselijk (fig. 10); de kiezenrijen divergeren en gaan glooiend in de tandenrij over, de hoektanden steken niet buiten de rij uit, de onderste eerste praemolaar mist iedere aanduiding van een schaarfunctie. Maar niet alleen de schedel, ook de ledemaatsbeenderen vertonen 1) Weidenreich, The Scientific Monthly, 67, p. 103, 1948; Von Koenigswald, 1953, a.b., p. 134.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1955
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 336 Pagina's