Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 152

2 minuten leestijd

DE WISKUNDE IN DE NATUURKUNDE ') door P. MULLENDER

Indien men aan de Universiteit wiskunde wil studeren, dan krijgt men meer dan men zoekt. Immers, de universitaire studie is zo, dat afdaling in de diepte pas wordt toegestaan, nadat men zich voldoende in de breedte georiënteerd heeft. Zo kan men geen candidaatsexamen in de wiskunde afleggen zonder een grondige studie van de natuurkunde. Dat is nuttig, al was het alleen maar hierom, dat de wiskunde in de natuurkunde een onuitputtelijke bron van problemen vindt. Het verbonden zijn van de studie van de natuurkunde met die van de wiskunde brengt echter voor den beginnenden student eigenaardige moeilijkheden mee. De toekomstige mathematicus, die enthousiast kennis neemt van de strakke, in zijn ogen volmaakt logische, opbouw van de wiskunde en die zich de nauwgezetheid, waarmee de wiskundigen hun betogen plegen te formuleren, ook tracht eigen te maken, wordt ernstig in verwarring gebracht als hij ziet hoe de physici veelal rustig de vermaningen in den wind slaan, die hij van zijn wiskundige leermeesters heeft meegekregen. Zo leert hij b.v. dat differentialen niet opgevat moeten worden als kleine aangroeiïngen van de betreffende veranderlijken (en zeker niet als oneindig kleine aangroeiingen), terwijl hij constateert dat de physici juist bij voorkeur op deze wijze over die differentialen spreken. Hij leert, dat hij zich bij zijn analytische bewijsvoering niet op zijn meetkundige voorstelling mag beroepen, hoe nuttig die ook is om hem op een goede gedachte te helpen, maar aan den anderen kant ontmoet hij bij de afleidingen van de formules, die hij in zijn natuurkunde-practicum-verslagen moet geven, vaak een dergelijke vermenging van wiskundige en physische argumentatie, dat hij niet meer weet waar het bewijs begint en waar het ophoudt. Gelukkig raken de meeste wiskunde-studenten spoedig over hun eerste schrik heen. Zij aanvaarden de formulering en de redeneermethode van de physici als een aanpassing aan de behoefte aan een 1) Dit artikel is voortgekomen uit een voordraclit, gehouden op de vergadering van 10 maart van de Christelijke Vereniging van Natuur- en Geneeskundigen. Evenmin als de voordracht heeft het artikel de pretentie een afgeronde studie te vormen. Het is slechts bedoeld als een poging de gedachten over de aan de orde gestelde vraagstukken op gang te brengen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 152

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's