Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 86

3 minuten leestijd

62

G. A. LINDEBOOM

eerste gezicht leek dat een dwaze gedachte. Wat zou men er aan hebben! Ten slotte is het een zeer zeldzame ziekte. Men kon toch de hele wereld niet tegen hondsdolheid inenten, voor de pokken had dat wellicht zin, voor rabies niet. En nu kwam de geniale gedachte. Zou men die periode van 6 weken, die tussen besmetting door de beet en het uitbreken der ziekte lag, de z.g. incubatietijd, niet kunnen benutten, en alzo een wedloop instellen tussen de vaccinatie en de ziekte zelf? Daarvoor zou nodig zijn een verzwakt virus, met een veel kortere incubatietijd. Hij slaagde er werkelijk in het virus door indroging te verzwakken en ook de incubatietijd, door herhaalde overentingen, te bekorten. En inderdaad, bij besmette honden gelukte het, volgens een zorgvuldig uitgewerkt schema te werk gaand, ze te vrijwaren voor de ziekte, door in de incubatietijd een serie inspuitingen te geven met steeds minder verzwakt, dus telkens sterker vaccin. De loop der gebeurtenissen kwam hem te hulp. In 1885 kwam op een ochtend een paar dodelijk ontstelde ouders uit de Elzas in zijn laboratorium, met hun kind, Joseph Meister, dat £1/^ dag tevoren gebeten was door een dolle hond, en ze smeekten den groten man hun kind te redden. Pasteur aarzelde. Twee goede medische vrienden overreedden hem ten slotte, zij namen de verantwoordelijkheid op zich. En al begreep Pasteur, dat dat niet kon, dat hij het vaccin had bereid, dat hij moest inspuiten, dat niemand hem van zijn verantwoordelijkheid kon ontslaan — met een bang hart besloot hij toch te beproeven het kind te redden. Het kreeg de eerste, zwakke injecties. Maar de nacht vóór de 16de juli, deed hij geen oog dicht: de volgende dag moest Joseph de laatste injectie krijgen, en die was voor een niet-voorbehandelde hond zonder enige twijfel dodelijk. Het kind kreeg de injectie en het bleef gezond, werd niet aangetast door de vreselijke ziekte. Al spoedig kwam men met andere kinderen; soms echter te laat. Een 10-jarig meisje, dat eerst 7 dagen na de beet kwam, stierf binnen korten tijd. Men moest er blijkbaar zo vlug mogelijk bij zijn. De Russische Czaar zond 18 moejiks, gebeten door een dolle wolf. Ze waren eerst na 14 dagen van Smolensko in Parijs, 3 er van stierven. Al verhief zich na zulk een gebeuren een oppositie onder de medici — er kwamen steeds meer patiënten naar zijn laboratorium. Dit ging meer gelijken op een polikliniek voor hondsholheid, dan op een laboratorium. Ten slotte was de stroom van patiënten uit heel Europa niet meer tegen te houden. En de tijd kwam, dat Pasteur in de Académie berichten kon over de behandeling van niet minder dan 350 gevallen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 86

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's