1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 112
84
A. W. J. H. HOITINK
dat wij hier van een typering van het levende moeten spreken en niet van het leven, zoals in Bichat's definitie wordt gezegd. Want wat ik U beschreef — en Bichat's formulering kan als een korte algemene aanduiding daai-van worden beschouwd — was een poging tot een slechts schetsmatige en fragmentaire karakterisering van het levende, waarin het leven wel zijn werkzaamheid verraadt, maar zijn wezen niet onthult aan ons wetenschappelijke vorsen. Door in onze definitie het levende met zijn kenmerken tot uitgangspunt te nemen en de dood te definiëren als het onherstelbaar verlies dier kenmerken, blijven wij binnen de werkingssfeer van de wetenschap. Het levende is immers in principe toegankelijk voor ons wetenschappelijke zoeken en in zijn kenmerken beschikken wij over iets van wetenschappelijke realiteit, waarmede te werken is. De problematiek, die door onze begripsbepaling wordt opgeroepen, is in deze definitie het begrensde gebied binnen de reikwijdte van de wetenschap toegewezen en ze noodt aldus tot verder vorsen. Hiermede heeft onze definitie ongetwijfeld voordelen. Bij nadere beschouwing zijn deze echter meer van practische en formele betekenis dan van essentiële aard, want het wezenlijke wordt er niet in gegrepen, noch begrepen. Zo zijn wij — wat althans dat wezenlijke aangaat — niet verder gekomen en dat is begrijpelijk, want de actieradius van de wetenschap laat haar niet toe door te dringen tot het innerlijke wezen van het leven, noch van de dood, die verlies van dat leven is. Er rest ons niets anders dan practisch te blijven en te beseffen dat een definitie wel waarheid, maar geen volledig doorschouwen en begrijpen behoeft te vertolken, en dat zij dan toch behoorlijk kan functioneren ter oriëntering. In deze zin is er ook geen bezwaar tegen om met Weismann de dood eenvoudig te definiëren als het onherstelbaar verlies van het leven, — al brengt ons dit geen wezenlijk begrip noch bevrediging van onze menselijke vraagzucht. Zijn wij — in natuui-wetenschappelijke zin — over de dood wat te weten gekomen? Inderdaad is dat het geval en vele feiten zijn reeds aan het licht gebracht, waarvan ik er hier uiteraard maar enkele kan noemen. Het is een goede gewoonte in de physiologic, — een gewoonte welke ook in andere biologische wetenschappen wordt gevolgd —, bij de bestudering van een bepaald verschijnsel of gebeuren bij de mens
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's