1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 118
90
A. W. J. H. HOITINK
schijnt Bij deze vorm van schijndood kan het individu enige tijd op de grenslijn tussen leven en dood balanceren. Al hebben wij in het voorgaande het moment van de dood omschi-even, dat wil niet zeggen dat het altijd nauwkeurig kan worden aangewezen. Strikt genomen krijgen wij slechts zekerheid over het passeren van dat tijdstip, wanneer de irreversibiliteit vaststaat. In dit verband is het wel interessant te vermelden dat de RoomsKatholieke Kerk zich op het standpunt stelt, dat nog korte tijd na de dood (men neemt aan enkele uren) de bediening met het Sacrament der Stervenden kan plaatshebben, omdat het moment, waarop de dood werkelijk intreedt, niet met absolute zekerheid is vast te stellen. Deze veilige rekbaarheid in het begrip „stervenden" maakt het mogelijk dat ook bij een „mors subita" het laatste sacrament niet behoeft te worden onthouden aan de kinderen dezer kerk. De ondergang van delen van het organisme leidt lang niet altijd tot de dood van het geheel en wij hebben dan ook de partiële dood van de algehele te onderscheiden. In de natuur zijn talrijke voorbeelden te vinden van partiële dood, waarbij het individu niet te gronde gaat. Bij de hogere dieren en bij de mens zal de circumscripte dood van een onmisbaar orgaan uiteraard wel met de dood van de totaliteit samenvallen, maar indien een minder belangrijk onderdeel van het lichaam door de dood wordt aangetast, behoeft dit niet met de ondergang van het individu gepaard te gaan. In de menselijke pathologie kennen wij de partiële dood als het plaatselijke versterf van weefsels, de zogenaamde necrose. Indien deze geen gewichtige celgroepen aantast, behoeft de dood van het individu er niet mede gemoeid te zijn. De ondergang van delen van het lichaam is ook als natuurlijk en noodzakelijk gebeuren opgenomen in de huishouding van het gehele organisme. Hier is de partiële dood een normaal verschijnsel. Als slechts een enkel voorbeeld wil ik wijzen op de levensloop van de rode bloedlichaampjes van de mens. Nadat de erythrocyten uit de vormingsplaatsen — waar ze reeds van haar kern zijn beroofd — worden afgegeven aan het bloed, wacht deze cellen verder een relatief kortstondig leven. Bij de mens is de levensduur der erythrocyten in het bloed ongeveer 120 dagen. Daarna gaan ze te gronde en worden opgeruimd, maar nieuwe rode bloedlichaampjes hebben inmiddels de taak overgenomen in het onophoudelijk wisselspel van vernieuwen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's