1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 246
204
RONDBLIK
proeven in een concentratie van 2.54 mg per liter. Hun electrophoretisch bloedeiwit-patroon was identiek, terwijl voorts nog bepaalde antilichamen in het speeksel bij beide aanwezig waren. Huidtransplantaties hielden echter wederzijds niet blijvend. De kans op de vastgestelde overeenstemming tussen moeder en dochter is, volgens Balfour-Lynn, minder dan 1 : 100, als de dochter een vader heeft gehad. Zijn eindconclusie is, dat de resultaten der serologische en andere speciale onderzoekingen overeenstemmen, met wat men bij een parthenogenese zou verwachten. De „claim" van de moeder moet niet alleen ernstig genomen worden, maar het onderzoek heeft haar ook zelfs niet kunnen ontzenuwen. Dr. Balfour-Lynn vond het niet-gelukken van de huidtransplantatie dus niet doorslaggevend, anderen, zoals uit ingezonden stukken bleek, echter wel. Daartoe behoorde dr. Helen Spurway zelf, die meent, dat daarom hier geen parthenogenese in het spel kan zijn: immers uit het niet-aanslaan van het transplantaat volgt, dat bij het kind een antigeen bestaat, dat vreemd is aan de moeder ^). Dr. Balfour-Lynn blijft echter bij zijn mening, dat zijn onderzoek de ,,aanspraak" niet ter zijde heeft kunnen stellen. Zo is deze discussie nog gaande. Niemand weet met zekerheid, of parthenogenese bij de mens voorkomt. Maar het blijft opmerkelijk, dat de wetenschap onzer dagen zich heel wat voorzichtiger uitdrukt over een vraag, waarop zij vroeger eenvoudig antwoordde met een dogmatisch en apodictisch : onbestaanbaar en ondenkbaar. Het is me niet bekend, of er in Nederland moeders rondlopen, met de overtuiging, parthenogenetisch een sprekend op haar gelijkende dochter te hebben verkregen. G. A. L. TWEE GEBEDEN In deze kolommen heb ik er een en ander maal op gewezen, hoe men in Amerika op wetenschappelijke vergaderingen niet zo bang is een religieus motief in te dragen, als bij ons het geval is. Het lijkt wel, alsof daar de tegenstelling tussen geloof en wetenschap niet zó scherp is, dat men dit misplaatst vindt. Men kan het ook anders zeggen: de religieus voelende en denkende naturen hebben daar soms blijkbaar meer vrijmoedigheid in het spreken op „neutrale" vergaderingen, dan de gelovige mannen van wetenschap in ons goede vaderland, waar de grenzen eens en vooral zijn afgetekend, en ieder godsdienstig gericht woord op zulk een vergadering contrabande schijnt. Zo is men er in Amerika zelfs niet voor teruggeschrikt, om, bij de herdenking, na 400 jaar, van de eerste verschijning van Andreas Vesalius' grondleggend werk „de humani corporis Fabrica", in 1943 aan de Yale University na enige herdenkingsredes het woord te geven aan een predikant, om de vergadering te „dismiss with the Benediction" ^). De reverend dr. George Stewart sprak toen een gebed uit, waarvan het eerste vers aldus luidde : 1) Lancet 1956, H, 47 en 48. 2) The Four Hundredth Anniversary Celebration of the De Humani Corporis Fabrica of Andreas Vesalius (p. 49 en 50), New Haven 1943.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's