Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 61

2 minuten leestijd

HET ONTSTAAN VAN HET LEVEN OP AARDE

41

van Claude Bernard van hem aantekeningen gevonden „soigneusement cachées" omtrent proeven, vi'aarmee hij meende te kunnen aantonen, dat er in druivensap is een „propriété protoplasmique" en dat daaruit leven kan ontstaan. Marcelin Berthelot ging ertoe over, deze aantekeningen te publiceren. Of zulks terecht geschiedde? En of daarbij de tegenstelling in wereldbeschouwelijk opzicht tussen hem en Pasteur een rol speelde? Claude Bernard had Pasteur met geen woord over dit onderzoek gesproken. Hoe dan ook, Pasteur nam het onderwerp weer ter hand en deed proeven in een eigen vigne te Arbois, die men thans nog kan bezoeken. Hij toonde aan, dat Claude Bernard geen of onvoldoende acht had gegeven op de kiemen, die zich op de oppervlakte van de druiven bevinden. Men kan de door Pasteur daarbij gebruikte druiven heden ten dage nog te Arbois in het huis van de familie Pasteur zien. En daarmede was ook deze aanval gepareerd. En daarmede was de strijd omtrent zelfwording eigenlijk geëindigd, wat het onderzoek betreft. Alleen in ons land bleef deze voortbestaan. D. Huizinga trachtte proefondervindelijk leven tot stand te brengen, doch nam onvoldoende voorzorgsmaatregelen. Abr. Fokker, eveneens te Groningen, meende met organische stoffen, als melk en bloed, levende wezens tot stand te kunnen brengen, doch slaagde daarin ook niet; hij is in 1906 ten grave gedaald met de overtuiging, dat zijn opvatting juist was. Bacteriën waren volgens hem partiele bionten; zij ontstonden volgens Fokker in het weefsel zelf, zoals bij de mens de tuberkelbacillen. Of bij deze strijd zich ook een wereldbeschouwelijke achtergrond openbaarde? Het lijkt waarschijnlijk. De vraag ligt voor de hand: „Waamm slaagden Huizinga en Fokker niet, doch Pasteur wel?" Pasteur was een uitstekend waarnemer, maar had minder goede hulpmiddelen. Zijn kracht lag veeleer in zijn „idees précon9ucs" en in zijn gevolgtrekkingen, hij was een meester in de inductieve logica en overtrof daarin zijn tegenstanders. In zijn jeugd had hij al uitgeblonken door zijn logische, wijsgerige gedachtengang, meer dan door kennis van de natuur en van feiten. Was de strijd thans geheel geëindigd? Men zou het verwachten. Doch in 1938 verscheen, wederom te Groningen, een studie van ƒ. D. Edens: „Schets van de strijd over de generatie spontanea en van de betekenis van deze strijd voor de ontwikkeling der microbiologie". Daarin wordt een goed overzicht van Pasteur's onderzoekingen ge-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 61

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's