1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 201
JURIDISCHE ASPECTEN BIJ KUNSTMATIGE INSEMINATIE
165
al naar gelang de principiële achtergrond van waaruit men het vraagstuk benadert. Al is in de positiefrechtelijke bepalingen niet het materiële richtsnoer te vinden tot vaststelling van het al of niet rechtmatig karakter van k.i.d., het is niettemin zeker van belang te onderzoeken welke antwoorden ten aanzien van belangrijke juridische kwesties uit het geldende Nederlandse recht kunnen worden afgeleid. Doordat ons burgerlijk recht met betrekking tot de juridische status van het gedurende huwelijk geboren kind, uitgaat van het — slechts in enkele uitzonderlijke limitatief opgesomde gevallen wederlegbare — rechtsvermoeden : „het kind, hetwelk slaande huwelijk is geboren of verwekt, heeft de man tot vader" (art. 305 B.W.), komt de man die het door k.i.d. verwekte kind als het zijne aangeeft, niet op gespannen voet met de wet ten aanzien van de registratie. En de burgerlijke staat van het een donor tot vader hebbende kind, wordt zonder meer die van wettig kind van de man der moeder. Indien de man niet met de inseminatie heeft ingestemd of later op zijn toestemming is teruggekomen, kan hij de wettigheid van het kind slechts betwisten, wanneer hij in staat is aan te tonen, dat hij sedert de driehonderdste tot de honderdtachtigste dag vóór de geboorte van het kind, hetzij uit hoofde van verwijdering, hetzij door de gevolgen van enig toeval, in de natuurlijke onmogelijkheid is geweest met zijn vrouw gemeenschap te hebben. Onze wet staat niet toe dat hij zich voor de ontkenning van het kind als het zijne, op zijn natuurlijke onmacht beroept (art. 307 B.W.). De kans dat de arts in moeilijkheden zou komen, doordat de echtgenoot der moeder de wettigheid van het kind aanvecht, en weigert verder voor het kind te zorgen, is dus zeer gering, al is zij niet uitgesloten. Hoewel k.i.d. inbreuk vormt op het exclusief karakter van de huwelijkseenheid, en in wezen echtbreuk is : in de schoot der vrouw ontwikkelt zich een kind van haar en een derde — is van overspel in de zin van ons positieve recht daarbij geen sprake. Èn in de rechtsliteratuur, èn in de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt het begrip overspel zowel qua echtscheidingsgrond als qua misdrijf beperkt opgevat, n.l. alleen in de zin van „volledige vleselijke gemeenschap". In de aan het bekende arrest van 23 juni 1950 voorafgaande conclusie van de advocaat-generaal mr. Hooykaas wordt met zeer uitvoerige bronnen vermelding aangetoond, dat het in andere staten in West- en Midden-Europa niet anders is. Voor een wijziging in interpretatie van het rechtsbegrip gevoelt hij dan ook niets. Maar hij maakt een reserve
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's