1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 113
ASPECTEN V A N D E D O O D IN D E G E N E E S K U N D E
85
of de hoger georganiseerde dieren, ook eens te kijken hoe dat verschijnsel of gebeuren zich presenteert bij lagere wezens. Aldus doende kan soms belangrijke informatie worden verzameld. Passen wij dit procédé toe ten aanzien van het doodsprobleem, dan komen verrassende feiten aan de dag, welke onze visie op het vraagstuk kunnen verruimen. Van de uit dit onderzoekingsveld vergaarde resultaten en geconstrueerde visies kan ik hier slechts een vlugge en vluchtige schets in hoofdlijnen trekken. Het onderzoek bij bepaalde eencellige wezens heeft het zeer waarschijnlijk gemaakt dat deze in een zekere zin onsterfelijk zijn. Zij onttrekken zich aan de dood — aan de physiologische of natuurlijke dood v/el te verstaan — door de aard van hun voortplanting, waarbij het individu door deling in twee nieuwe individuen wordt gesplitst. Elke helft groeit uit tot de grootte van de oorspronkelijke cel, deelt zich weer in tweeën en zo gaat dit door. Wel heeft het individu na de deling zijn individualiteit opgegeven, maar het sterft niet, er is geen lijk en dus geen dood. Terwijl het vermenigvuldigingsproces voortgaat, blijft van de oorspronkelijke lichamelijke substantie steeds een deel behouden, al is het tenslotte dan ook slechts in zeer fijne verdeling. Vandaar dat men concludeerde tot een onsterfelijkheid van de zich op deze wijze vermeerderende eencellige wezens en wij hebben dan te doen met een materiële onsterfelijkheid. Onderzoekingen van Maiipas vlochten aanvankelijk doornen in deze immortellen-krans. Zijn experimenten deden besluiten dat ook bij eencellige wezens veroudering voorkomt, welke zich uit in een verminderde vitaliteit na een reeks delingen en welke met de dood eindigt, indien geen conjugatie — dat is het tot versmelting komen van twee individuen — optrad en het aanzijn gaf aan een nieuw verjongd individu, dat met herwonnen élan de weg van delen en groeien kan gaan. Onder natuurlijke verhoudingen zal zich de levensgang dezer eencellige wezens aldus, met telkens tussenschakelen van conjugatie, van versmelting met verjonging, voltrekken. Latere onderzoekingen van Woodruff en anderen toonden echter aan, dat onder kunstmatig zo gunstig mogelijk gemaakte voor\vaarden de delingen vlot en zonder veroudering en verlies van vitaliteit kunnen worden voortgezet, — zonder dat er conjugatie aan te pas kwam, want deze werd verhinderd. Woodruff gebruikte voor zijn proeven met het geïsoleerde kweken
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's