Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 85

3 minuten leestijd

LOUIS PASTEUR

61

sens en ebullition" — ik gevoel me bruisend? Intussen had Pasteur de mens niet vergeten. Enige jaren tevoren, 30 april 1878, had hij in de Académie een rede gehouden over de theorie van de kiemen en haar toepassing in geneeskunde en chirurgie. In pathetische bewoordingen had hij de chirurgen gewezen op het gevaar van de overal aanwezige ziektelciemen. „Dat water, die spons, dat pluksel, waarmede ge een wond schoonmaakt of bedekt, brengen er kiemen in, die zich zeer gemakkelijk in de weefsels kunnen voortplanten, en onfeilbaar de dood der geopereerden met zich zouden brengen in zeer korten tijd, indien het leven in die delen zich niet verzette tegen haar vermenigvuldiging. Maar helaas, hoe dikwijls schiet die vitale weerstand te kort, hoe werpen de constitutie van de gewonde, zijn verzwakking, zijn morele houding, de slechte toestand van het verband een onvoldoende barrière op tegen de invasie der oneindig kleine wezens." Met zulke bijna hartstochtelijke toespraken poogde hij moeizaam de gedachte van de a- en antisepsis in het botte brein der medici ingang te doen vinden. Hij slaagde er slechts geleidelijk in. Een der eersten was Lister, een menslievend chirurg uit kwaker's kringen, die het belang van Pasteur's ontdekkingen voor de chirurgie begreep en in toepassing bracht. Toch bleef Pasteur, die chemicus was, en geen arts, voortdurend tegenstand van de zijde der geneeskundigen ondervinden — een heetgebakerde chirurg daagde hem zelfs eens uit tot een duel — en de tijd kwam, dat Pasteur wenste zelf medicus te zijn. Dat was op het ogenblik, dat hij de verantwoordelijkheid van een arts moest gaan dragen. Pasteur had een gevoelig hart, en niet zonder ontzetting had hij eens in een hospitaal een kind zien sterven aan hondsdolheid. Wat leed dat kind; die door merg en been dringende kreten, die wild rollende ogen, die waanzinnige onrust kon hij niet vergeten. Die ziekte, de rabies, biedt zelfs voor een zeer ervaren arts nog een verschrikkelijken aanblik. Ze breekt enige weken, dikwijls pas 6 weken, uit na de beet van het dolle dier, dat er aan lijdt. Vol moed ging Pasteur op zoek naar de verwekkers, maar hij vond die niet, er was niets te zien. Dat deed hem echter niet twijfelen aan het bestaan van de smetstof. Blijkbaar was het besmettelijke agens nog kleiner, en onzichtbaar in het microscoop. Het ruggemerg van een aan hondsdolheid gestorven hond bleek besmettelijk te zijn. In ruggemerg en hersenen bevond zich de onzichtbare smetstof, het virus. De onzichtbaarheid van het virus schrikte Pasteur niet af eeu poging te ondernemen de rabies door vaccinatie te bestrijden. Op het

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 85

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's