Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 122

2 minuten leestijd

94

A. W. J. H. HOITINK

levensduur na transfusie verschilde niet van die van getransfundeerde verse erythrocyten. Ook v/eefsels en organen werden in het onderzoek betrokken, waarbij in sommige gevallen reeds overlevingsresultaten werden geboekt. Het zal geen verwondering wekken dat in deze „hausse"-periode in de koude-proe\'en eveneens het experimenteren met gehele dieren werd gereviveerd, waarbij thans warmbloedige dieren de koude hadden te trotseren. Zo gelukte het aan Lutz (1950) om caviae, waarbij het hart tot 72 minuten had stilgestaan en de kerntemperatuur tot 0—1 C. was gedaald, te doen herleven zonder dat daarna beschadigingen te bespeuren waren. Zijn behandeling van deze koude-schijndood bracht slechts in een betrekkelijk klein percentage van de gevallen volledig herstel, maar verbeteringen van de behandelingstechniek zijn te verwachten. Andiv.s (1951) verkreeg soortgelijke resultaten bij ratten, waarbij de colon-temperatuur tot 0—2 C. was verminderd en de hartslag en ademhaling 40 tot 50 minuten hadden stilgestaan In de experimenten van Sviith, Lovelock en Parkes (1954) op hamsters werd zelfs een colon-temperatuur beneden 0 C. bereikt en deze daalde tot —5,5 C. De bevroren dieren voelden als hout aan en de oren hadden de consistentie van carton. De onderzoekers namen aan, dat het inwendige van de hamsters nog niet of slechts licht bevroren was. Ook in deze experimenten werd bij een bepaalde behandeling volledige herleving waargenomen. Wanneer wij de proefreeksen over uitdroging en bevriezing van het levende nader bekijken — daarbij de experimenten met warmbloedige dieren voorlopig nog buiten beschouwing latend —, dan moeten wij vaststellen dat onder de gegeven omstandigheden geen stofwisseling kan plaatshebben. Bij uitdroging is er geen water en bij bevriezing verkeert dit in vaste toestand, en zonder water is geen metabolie mogelijk. De lage en zeer lage temperaturen bij de bevriezingsexperimenten sluiten bovendien op zichzelf reeds het voortgaan van de levensprocessen uit. Wij moeten dus wel aannemen dat onder deze voorwaarden de levensprocessen volledig tot stilstand zijn gekomen en hier kunnen wij niet meer spreken van „vita minima", maar past slechts de term „vie latente", ingevoerd door de vermaarde Franse physioloog Claude Bernard. Tijdens hel,,latente leven" is het dynamische levende stelsel als het ware in tijdelijke statische verstaning gefixeerd. Dood is het niet,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's

1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 122

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's