1956 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 121
ASPECTEN VAN DE DOOD IN DE GENEESKUNDE
93
ven" 1). Bij zijn proeven daalde de temperatuur in het binnenste van de kikker tot —2,5 C. en het hart was stijf bevroren. Publicaties van andere onderzoekers over deze koude-schijndood volgden en in de jaren van 1902 tot 1905 verschenen ook mededelingen over het herleven, na een tijdlang bewaren bij 0 C , van geïsoleerde weefsels en organen van warmbloedige dieren. Ook het mensenhart werd in het onderzoek betrokken — in dit geval letterlijk — en aangetoond werd dat geïsoleerde mensenharten, na een verblijf van 24 uur in de ijskast, weer kunnen gaan kloppen. Na 1905 schijnt de belangstelling voor deze vraagstukken wat te verkillen en eerst in de laatste jaren zien wij een duidelijke opleving, welke vooral gedemonstreerd wordt in het werk van een groep onderzoekers rond Parkcs en voorts in experimenten van anderen. Bij deze moderne onderzoekingen is de belangstelling in het bijzon • der gericht op cellen, weefsels en organen van warmbloedige dieren en men bestudeert daarbij de overleving na bevriezing, waarbij zéér lage temperaturen worden toegepast. Doorgaans liggen deze bij —79 C. (d.i. de temperatuur van vastwording van koolzuur) of bij ongeveer —190 C. (gerealiseerd met vloeibare lucht). De bevriezingstechniek, welke van grote betekenis voor de resultaten bleek te zijn, werd ontwikkeld en maakt nog steeds vorderingen. Vooral de ontdekking, in 1949 gepubliceerd, dat het gebruik van speciale media, welke glycerol bevatten, de overlevingskans aanzienlijk vergroot, mag een mijlpaal worden genoemd. Door het recente onderzoek werd onder andere het volgende aangetoond. Spermatozoa van de haan kunnen langdurig bewaren (b.v. 2 maanden) bij —79 C. of —196 C. overleven en ze kunnen zelfs het bevruchtingsvermogen behouden. Zoogdier-spermatozoa van verschillende soorten overleefden deze temperaturen eveneens, echter alleen bij langzaam afkoelen. Menselijke spermatozoa bleken het meest resistent te zijn en ze verdroegen de koude zelfs reeds heel behoorlijk zonder glycerol-toevoeging aan het medium. Rode bloedlichaampjes van de mens werden 6 maanden bij —79 C. bewaard 2), daarna ontdooid, bevrijd van glycerol en getransfundeerd. Na transfusie leefden deze cellen normaal in het bloed van de ontvanger voort. Veroudering bleek niet te hebben plaatsgehad, want de 1) Deze uitdrukking is eigenlijk niet juist en zou alleen gebruikt kunnen worden, indien het leven verloren zou zijn. Wij zullen de term toch blijven bezigen omdat deze algemeen gebruikelijk is. 2) De normale totale levensduur in het bloed is ongeveer 4 maanden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 356 Pagina's